• Titel: Beroepsgeheim
  • Auteur: Catharina Blaauwendraad
  • ISBN: 978-90-468-0543-3
  • Uitgever: Nieuw Amsterdam
  • Datum bespreking: 1 Juli 2009

Kijk, ik wil niet gezien worden!


Onlangs verscheen bij Nieuw Amsterdam Beroepsgeheim, de tweede bundel van Catharina Blaauwendraad (de eerste verscheen in 2004 in de Windroosreeks: Niet ik beheers de taal). Blaauwendraad schrijft ook in deze bundel een vrij klassiek soort poëzie. Hier en daar letterlijk, dan schrijft ze sonnetten die netjes aan het rijmschema voldoen. Elders is de vorm vrij maar wekken de regels toch nog de indruk dat ze rijmen, wellicht door de vele klankeffecten. Het lijkt me ook niet voor niets dat juist Jean Pierre Rawie op de achterflap zijn lof op de gedichten van Blaauwendraad uit.

Knap is hoe Blaauwendraad in de rijmende gedichten het rijm onnadrukkelijk weet te houden, en de regels ondanks de dwingende vorm soepel weet te laten lopen. In Beroepsgeheim staan anekdotische, haast prozaïsche gedichten, maar ook wat meer raadselachtige. Een voorbeeld van de eerste categorie is ‘Schouder’, een gedicht over een jongetje dat alleen kan lopen als zijn moeder hem vasthoudt. De vrouw, ‘die meer te doen had’, verzint een list:

Van achter schoof ze op zijn kinderjas
een knijper vast, nabij de schouderplooi
en na drie bochten merkte hij het pas;

kreeg haar in het zicht. En als een baaltje hooi
plofte hij afgehouwen in het gras,
viel hij aan eigen ongeloof ten prooi.

(p. 44)

Of het woord ‘afgehouwen’ een gelukkige keuze is, vraag ik me af: het geeft wel beeldend weer hoe het jongetje in het gras valt, maar is aan de andere kant veel te sterk voor wat er in werkelijkheid gebeurt, en gek in combinatie met het baaltje hooi. En klopt die slotregel wel? Valt hij wel aan zijn ‘ongeloof’ ten prooi? Want strikt genomen is het niet zijn eigen ongeloof waardoor hij valt, maar het inzicht dat hetgeen waar hij in geloofde niet klopt.

Catherina Blaauwendraad

Overtuigender is het meer raadselachtige gedicht ‘Aubergine’. Het gedicht is eigenlijk een nachtmerrieachtige opeenvolging van beelden waarin een duel wordt uitgevochten tussen de ‘ik’ en een ‘jij’. Het gedicht begint met een schaakpartij die de ‘jij’ wint, waarna de gebeurtenissen een absurde wending nemen:

Stroomopwaarts, één bed verder, ligt een wasvrouw.
De paarse schillen knagen aan haar huid;
kluiven haar af. Snel, strijk de plooien glad,
roept ze gejaagd. Ik trek het laken strak
en dek de tafel voor haar laatste gast.

(p. 30-31)

Een fraai gedicht, dat echter hier en daar ook wat al te opzichtig poëtische trucs inzet. Zo is bijvoorbeeld het enjambement na ‘diep’ in de volgende regels uit de eerste strofe wel heel nadrukkelijk:

(…) je zwarte houten paard
was maar één sprong verwijderd van de diep
begane grond.

De regels hebben in de toon dikwijls iets verhevens, iets onnatuurlijks, en daarmee versperren ze vaak de lezer (althans deze) de toegang tot het gedicht zelf. Neem bijvoorbeeld de eerste strofe uit het gedicht ‘Wisseljaren’:

We worden ouder. De hiaten
bepalen mijn gebit. Ik bijt
in weerwraak brokken uit de tijd
door met het oude zeer te praten.

(p. 10)

Catherina Blaauwendraad - Beroepsgeheim

Bij zo’n strofe blijf ik hangen bij het wat al te muzikale woord ‘weerwraak’. Het is om te beginnen een weinig heldere term – een soort samentrekking van ‘in weerwil’, en ‘wraak’ – waarbij het laatste woord van zichzelf al de tegenactie aanduidt, waardoor de toevoeging ‘weer’ dubbelop wordt. Het ligt ook eigenlijk voor een dergelijk weerbarstig woord iets te comfortabel in het ritme. Ook het bijten van de brokken uit de tijd doet gekunsteld aan. Als dan de ‘ik’ vervolgens in de derde strofe met het ‘zeer’ (kennelijk een geliefde uit het verleden) in een café zit waar de muziek te hard staat (“De boxen spelen op”) – en deze ex-geliefde ‘luidkeels’ het verleden doodzwijgt, wekt het gedicht wel erg de indruk een alledaags tafereel op een al te ‘dichterlijke’ toon te willen beschrijven.

De lezer wordt er op deze manier telkens aan herinnerd dat hij een gedicht aan het lezen is. En dat is jammer, want wat in een gedicht gebeurt, gebeurt niet echt en hoeven we ons dus ook niet aan te trekken.

Dat doet misschien denken aan het recente betoog van Harmens en Pfeijffer, die immers het gegeven hekelen dat veel dichters gedichten schrijven ‘die op een gedicht lijken’. Maar dat is natuurlijk een rare opmerking. Ik snap op zich wel wat ermee bedoeld wordt: er zijn in de opinie van deze twee heren lieden die heel graag dichter willen zijn, en die daarom hun gedichten zoveel mogelijk modelleren naar een soort algemeen idee van poëzie. De kritiek op deze niet bij name genoemde dichters zou dan zijn dat hun poëzie onbekwaam is, o.a. omdat een goed gedicht zich niet in het keurslijf van een idee van wat poëzie is, of zou moeten zijn, laat persen. Akkoord, zou ik zeggen, maar dat laat onverlet dat veruit de meeste gedichten van veruit de meeste dichters er gewoon uitzien als een gedicht - en daar lijkt me niets mis mee. Ik tenminste hou wel van gedichten, ook van gedichten die op gedichten lijken. Waarom dat de ene keer geslaagd is, en de andere keer storend, moet met andere argumenten worden onderbouwd.

Maar enfin, in Beroepsgeheim lijkt me iets anders aan de hand.

Op de achterflap wordt de bundel geduid als een verkenning van het gebied tussen de persoonlijke en de publieke ruimte. Een beschrijving die m.i. vooral slaat op de afsluitende afdeling ‘Erogenese’, waarin achtereenvolgens zeven geheimen worden beschreven. Voor de rest van de bundel gaat het vervolg van de flaptekst eerder op: “De druk van ‘het gezien worden’ – die niet alleen van buitenaf komt, maar ook van binnenuit – is enorm. Blaauwendraad probeert […] een plek te vinden waar zijzelf, en de lezer, veilig is voor die druk. Ze gaat, kortom, op zoek naar de donkere kamer in het glazen huis.”

Bovenstaand tekstfragment is méér dan een mooi geformuleerd verkooppraatje, want als wat hier staat inderdaad klopt heeft dit vergaande implicaties voor de poëzie van Blaauwendraad. Als de dichteres inderdaad in haar poëzie een plek zoekt om veilig te zijn voor de druk van ‘het gezien worden’, betekent dit dat zij juist niets over zichzelf wil prijsgeven. De titel van de bundel is in dit verband fraai, als je ervan uitgaat dat het beroep van een dichter bestaat uit het prijsgeven van de eigen zielenroerselen. Blaauwendraad besteedt een dichtbundel lang aan het niets willen prijsgeven van zichzelf, aan het niet gezien willen worden. Dat is een mooie paradox. Het zou kunnen verklaren waarom de gedichten – door hun al te nadrukkelijk gedicht-zijn - de lezer niet toelaten. Of het een bewuste techniek is weet ik niet, en of Beroepsgeheim hierdoor een geslaagde bundel is ook niet. Maar interessant is het wel.

Edwin Fagel