• Auteur: Freek Lomme
  • Titel: Het streven naar Lineairiteit
  • Uitgever: Voetnoot
  • ISBN: 9789078068112
  • Datum bespreking: 28 Augustus 2008

Regelrecht de blubber in


Deze week ontving ik Freek Lommes Het streven naar lineariteit in de post. Freek Lomme is een van de initiatiefnemers van het Eindhovense Onomatopee dat deels aan het Van Abbe Museum is verbonden.

Het streven naar lineariteit is een eigenaardig boek. Allereerst valt de vormgeving op. Deze ijkt zich op het soort minimalisme dat in de jaren ‘80 en ‘90 in Noord-Europa in zwang was. De vormgeving leunt sterk tegen de titel aan. Het boek bestaat uit een kaal lijnenspel met veel lege vlakken en wisselende inspringingen. De vormgeving en typografie voldoen, maar liggen nogal voor de hand omdat ze zo sterk op de titel leunen.

Dan op naar de poëzie. Lomme schrijft het soort poëzie dat zich graag aan zou sluiten bij het werk van Van Dixhoorn en Vriezen. In het nawoord geeft hij af op stoffige leraren Nederlands. Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat Lomme zijn leraar Nederlands een lesje wil leren door vooral zijn advies geen rijmdwang te gebruiken in de wind te slaan. Het streven naar lineairiteit staat vol met de meest banale, vlakke en oninteressante rijmconstructies die ik ooit op papier heb zien staan. Neem bijvoorbeeld:

wat niet kent
dat is een echte vent
wat niet weet
deert des te meer.

krachten komen op,
nieuwe tijden vormen zich autonoom,
oude tijden vervormen zich:
ooit waren wij vroom.

(Uit: 'de echte vent weet')

Dat Lomme dat expres deed, straalt er vanaf. Dit is dat zogenaamde streven naar lineairiteit, om poëzie te schrijven die poogt zo vlak en banaal mogelijk te zijn en tegelijkertijd een gooi naar de avant-garde doet. Die poging mislukt jammerlijk. Lommes grote probleem is namelijk dat hij probeert in een vacuüm te opereren. Je voelt gewoon aan zijn gedichten dat hij nauwelijks enig besef van poëtische tradities heeft. De hele bundel bevat geen enkele verwijzing naar een andere dichter. Dat is niet voor niets zo: Lomme is betrokken bij beeldende kunst, maar meent dat dat afdoende is om interessante poëzie te schrijven. Dat is het niet. Een schilder die alleen gedichten verbeeldt zonder zich iets van de schildertradities aan te trekken is een schilder die meent in een vacuüm te kunnen opereren. Juist de avant-garde, waar Lomme graag bij zou horen, vereist een zeer diepgaande studie van bestaande stromingen, van uitzonderingen, van abnormaliteiten en zo meer. Avant-garde is namelijk een bijzonder contextgevoelig fenomeen. Het alternatief is tijdloze poëzie schrijven, maar daarin heeft Lomme al helemaal geen interesse, behalve als je dit soort stukken als tijdloos zou willen zien:

Voorbij god en vrije wil

allebei dood,
dode doeners.

Voorbij God en de vrije wil
sta ik te kijken wat ik wil.

Ik lust straks wel een kopje koffie,
een boterham is ook wel goed.
Da's normaal om deze tijd:
het is nu 6:36

Voorbij God en de vrije wil
doe ik leven.

Fin:
tot later...

Freek Lomme - Het streven naar lineariteit

Dit stuk is zo'n beetje exemplarisch voor het niveau van Lommes poëzie door de hele bundel heen. Ik snap werkelijk niet wat hij hiermee denkt te bereiken. De vraag dringt zich op waarom Lomme meent dat het neerpennen van zulke vlakke banaliteiten in pseudo-avantgardistische vorm interessant is. Het voelt sterk aan alsof Lomme met deze bundel een soort protestpoëzie heeft willen schrijven, een protest tegen die stoffige leraar Nederlands die hem steeds op de vingers tikte als hij weer eens slap begon te keuvelen op papier. Had Lomme maar naar die leraar Nederlands geluisterd. Want leraren Nederlands, hoe stoffig ook, weten meestal wat goed voor ons is.

Daarnaast sluit de bundel niet alleen totaal niet bij enige poëzietraditie aan, ook kunstreferenties ontbreken volledig. De enige referenties die niet ontbreken zijn flarden van het soort huis-tuin-en-keuken filosofietjes die je hoort als je laat op de avond aan de bar tussen wat zatte studenten gaat hangen. In de verantwoording laat Lomme ons weten de podiumpoëzie te hebben beoefend en dit een 'muf format' te hebben bevonden. Dat is eigenaardig, want het gros van de gedichten in Het streven naar lineairiteit lijkt juist gebaseerd op het soort podiumpoëzie dat hij veracht. Een bijzonder ongeslaagd mengsel, deze hap-slik-weg poëzie combineren met de suggestie van avant-gardisme.

Helaas is het tegenwoordig echter eerder regel dan uitzondering dat beginnende dichters menen zich niets van het bestaande literaire corpus te hoeven aantrekken. Iedereen schrijft en niemand leest nog. Steeds vaker zie je mensen dichtbundels uitgeven die overduidelijk zelfs van de Nederlandse poëzietraditie totaal geen kaas hebben gegeten. Dat is uiteraard een funeste ontwikkeling, die goed geparafraseerd werd door de verkoopcijfers van Komrijs laatste bloemlezingen van Klassiek-Nederlandse literatuur. Maar zelfs het werk van collega's lezen blijkt vaak al teveel moeite, tegenwoordig.

Hou je dus van een vreemd soort protestpoëzie die poogt op zo onpoëtisch mogelijke wijze een persoonlijke vete met de oude leraar Nederlands en de podiumpoëzie op papier uit te vechten dan is Lommes bundel Het streven naar lineairiteit voor jou geknipt. Hou je van experimenten die zich wel iets van de context der poëtica aantrekken, laat Lomme dan maar links liggen. Hij zal eerst eens heel wat jaartjes lezend moeten doorbrengen voor hij zelfs maar begrijpt waar hij zelf mee bezig is, zo heb ik het idee.

In het laatste deel van de bundel probeert Lomme nog om puur op de vorm te experimenteren, maar ook hierin slaagt hij totaal niet. Het gebruik van leestekens als tekstelementen is alleen interessant als dit op bewuste en subtiele wijze gebeurt. Dat bewustzijn en die subtiliteit ontbreken bij Lomme volledig. Dat maakt Het streven naar lineariteit tot een mijlpaal in de contextloze, vrijblijvende poëzie. Laten we hopen dat Lomme bij een eventuele volgende bundel wat beter beslagen ten ijs komt. Vooralsnog zakt hij volstrekt lineair al na drie strofes regelrecht de blubber in.

Martijn Benders