• Titel: Stad en land
  • Auteur: Alexis de Roode
  • ISBN: 9789057590597
  • Uitgever: Podium
  • Datum bespreking: 13 Mei 2008

Ode aan het leven en de poëzie


Onlangs verscheen de tweede bundel van Alexis de Roode, Stad en land. De bundel is veel dikker dan zijn debuut Geef mij een wonder (2005), en de dichter is duidelijk rijper, completer geworden. Zijn debuut werd goed ontvangen en hij werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. Ondergetekende formuleerde zijn bedenkingen tegen Geef mij een wonder (achteraf bezien te fel) in een recensie op deze site. In de wat al te boosaardige opmerking dat de dichter geen talent voor het schrijven van gedichten zou hebben had ik – gelukkig - ongelijk. In Stad en land staan namelijk fraaie gedichten, die dikwijls een mooie mengeling van humor, melancholie en verbeelding bieden.

De titel suggereert een tegenstelling die in de bundel echter juist wordt opgeheven. De bundel is in drie afdelingen onderverdeeld, ‘Mens’, ‘Stad’ en ‘Land’. Maar in het gedicht ‘De stad’, bijvoorbeeld, het openingsgedicht van de afdeling ‘Stad’, wordt de stad nadrukkelijk gepersonifieerd:

(…)
Onze mooie dochter de stad.
Wat was ze lieflijk
toen ze nog een klein meisje was.
De oerossen zagen haar met grote ogen groeien
terwijl ze zelf veranderden in koeien.
Haar borsten werden volle melk,
op haar wangen groeiden klaprozen
en uit vier windstreken
kwam een stoet van vrijers
en maakte haar duizendvoudig zwanger.
Ze leerde alle zeemanstalen.
Ze baarde wijk na wijk.
Alle wegen kwamen op haar uit.
(…)

(‘De stad’, p. 23)

Hetzelfde gebeurt in de afdeling ‘Land’, waar een omgewaaide beuk als mens wordt beschreven:

(…)
Rechtop groeide je,
rank meisje met een gladde huid.
Je bemoeide je niet met de buren.
Je strekte je tere polsen naar het licht.
Jaren.
Tot je op een dag de hoogste was.
Je trok je wortels op van plezier,
alles moest omhoog.
Toen kwam de wind als een man
en je brak.
(…)

(‘Omgewaaide beuk’, p. 60)

Alexis de Roode - foto, uitgeverij Podium
Alexis de Roode - Stad en land

De mens zelf wordt in het openingsgedicht van de afdeling ‘Mens’ (en daarmee het openingsgedicht van de bundel), ‘De menselijke maat’, cijfermatig zo nauwkeurig mogelijk in beeld gebracht. Maar op het moment dat dit is gebeurd, ontsnapt de mens toch, “Fel opwiekend als geest/ uit het piepkleine schedeltje” – en in de holte van zijn voet nestelt zich een bolletje “met pluizig groen en/ zeeën en hemels/ eraan vastgeplakt.” Daarmee lijkt de mens, of preciezer wellicht: de verbeelding, alomvattend te worden. (‘Zonder mens is natuur/ een ijsput om lijken te dumpen”, heet het in ‘Leve de natuur’). Stad en land – de hele wereld dus – komt samen in (de waarneming van) de mens, en de dichter is degene die dit alles uitdrukt. Dat maakt van deze bundel een ode aan het leven en de poëzie.

Dat vervolgens de communicatie tussen de werkelijkheid van de dichter en die van de lezer niet zonder problemen is, wordt uiteen gezet in ‘Kraai in winterlandschap’. De dichter ziet een kraai en wil dat die in een gedicht gaat zitten:

(…)
Later zal ik deze woorden opschrijven,
en als ik ze opschrijf, zal ik liegen.
Want ik loop hier langs het jaagpad
en waar ik loop, daar schrijf ik niet.
En waar u leest, daar ben ik niet.

(‘Kraai in winterlandschap’, p. 54)

Nu zijn de in deze recensie geciteerde gedichten niet eens de sterkste uit de bundel. Behalve een paar flauwere, want voorspelbare gedichten, zoals de pastiche op Marsmans ‘Denkend aan Holland’ over de Leidsche Rijn, en ‘Springhond’, waar de gedachten van een uitgelaten hond worden gevolgd, bevat deze bundel veel moois. De Roode is in zijn heldere, dikwijls grappige regels duidelijk verwant aan een dichter als Ingmar Heytze. Het zo ‘over the top’ citeren van reclameteksten van de Lidl dat het grappig wordt, bijvoorbeeld, ligt dichtbij Heytzes ‘Alles in de blender’ uit diens meest recente bundel.

De Roode noemt in zijn ‘Verantwoording’ meer invloeden, die in de bundel inderdaad niet moeilijk zijn aan te wijzen (de vondst van het Latijnse citaat aan het slot van ‘Landloper’ kennen we van Deelder, de witte kamer van Kouwenaar). Maar hij is erin geslaagd om van deze invloeden een eigen en herkenbaar geheel te maken, dat onnadrukkelijk speelt met taal en vorm en in vergelijking met Geef mij een wonder strakker is gecomponeerd. De Roode is op zijn sterkst als hij beknopt formuleert en zich, door zich los te zingen van de aanleiding (door bijvoorbeeld vanuit een monnik, of een ‘wij’ te spreken) zich ook los te zingen van zichzelf. Dit gebeurt bijvoorbeeld in de mooie afsluiter ‘In het laatste licht geschreven’ of de fraaie gedichten ‘Gast’ en ‘Nacht’. Of in ‘Zon’, een gedicht in vijf delen waarin een welhaast boeddhistische rust wordt weergegeven:

Als kind dacht ik
dat ik niet denken kon.

Het denken zweefde
om mij heen
en raakte mij niet.

Ik was als etherlibel
in het denken doorzichtig.

En zo voel ik me een beetje als Erwin Kroll die zich moet verontschuldigen dat het niet heeft geregend, terwijl hij dat wel had voorspeld. Geef mij een wonder bleek de opmaat tot Stad en land, een bundel waarin de dichter op een knappe manier vorm geeft aan zijn wereldbeeld.

Edwin Fagel