• Interview met auteur: Erling Jepsen
  • Datum: 10-04-2008
  • Titel: De kunst om in koor te huilen
  • Uitgever: Cossee
  • ISBN: 9789059361997
  • Datum bespreking: 14 april 2008

Een wijze les in het benoemen van het ‘erge’


‘Het kwam gisteren even iets te dichtbij. Na afloop van de filmvertoning was er ruimte voor vragen. En die kwamen. Ze vroegen me naar mijn persoonlijke ervaringen en hoe ik die in het boek verwerkt heb. Over de elfjarige jongen in het boek en over zijn zus en zijn vader. Mijn zus, mijn vader. Met zo’n heftig onderwerp kun je zulke vragen verwachten, maar ik kreeg het even benauwd.’

Erling Jepsen praat al sinds 2002 over een roman en de verfilming van die roman. Met journalisten, lezers, filmkijkers en slachtoffers. Nu is zijn boek uit het Deens vertaald en ligt het onder de titel De kunst om in koor te huilen in de boekhandel. Tijdens een promotiebezoek aan Amsterdam praat Jepsen met studenten, boekhandelaren (na een filmvertoning) en journalisten - waaronder ook de Recensent.

‘Ik ben het na zes jaar nog lang niet zat om over dit boek te praten. Niet alleen het schrijven, maar ook het praten werkt als therapie. De periode van toen ik elf was, is nog heel levend in mijn hoofd. In de loop der tijd veranderde wel mijn opstelling ten opzichte van lezers en interviewers. Bij het uitkomen heb ik de traditionele schrijvershouding aangenomen: het boek is fictie. Maar ik werd niet geloofd, zeker niet toen de film uitkwam.’

Erling Jepsen - De kunst om in koor te huilen

In De kunst om in koor te huilen vertelt de elfjarige Allan over een opmerkelijke periode in zijn leven. Hij leeft met vader, moeder en 14-jarige zus in een kleine gemeenschap op Jutland (Denemarken). Zijn oudere broer is al het huis uit. Als vader zich niet goed voelt (bijvoorbeeld door tegenvallende verkopen in de kleine kruidenierswinkel), voelt Allan zich geroepen om hem te helpen. Bijvoorbeeld door zijn zus over te halen maar weer bij vader op de bank te slapen, want daarna is vader altijd vrolijk en opgewekt. Terwijl Allan in de ontkenningsfase blijft hangen en zich alleen maar in allerlei fantasievolle bochten wringt om ‘alles op te lossen’, wordt de lezer steeds bewuster van de ernst van de zaak.

‘Het misbruik van de zus blijft in het boek ondergeschikt aan de ervaringen van de jongen. Het gaat mij ook om zijn gevoel, zijn schuldgevoel ten opzichte van alles en iedereen en zijn vader in het bijzonder. Maar in de film hebben ze ervoor gekozen om juist het misbruik centraal te stellen. In film is het natuurlijk veel moeilijker om zoiets impliciet te brengen. Het komt sowieso in beeld veel harder aan. Zeker na het uitkomen van de film in 2006 en het succes daarvan (o.a. een Oscarnominatie - RvN), ben ik openlijker gaan praten over het autobiografische gehalte van het boek. Zeker 75% is gebaseerd op mijn eigen ervaringen. Ik ben dus eigenlijk Allan.’

Als er iemand in het dorp overlijdt, houdt vader ongevraagd een toespraak. Halverwege gaat Allan naast zijn vader staan, houdt zijn hand vast en denkt aan een zielig liedje. Als er dan een traan over zijn wang biggelt en vader komt tot een emotioneel hoogtepunt in zijn verhaal, dan ziet Allan dat de mensen zich niet kunnen inhouden en beginnen te huilen. Zijn vader heeft namelijk “de macht van het woord”. Allan komt erachter dat de dorpsgenoten na zo’n begrafenis meer naar de winkel komen, met als resultaat dat vader opgewekter is. Een en een is twee, denkt Allan en hij vraagt zich af wie er de komende week dood zullen gaan. Moeten gaan.

‘Door de jongen het verhaal te laten vertellen, kon ik de vader eren. Daders van misbruik worden enkel als monsters gezien, daar wilde ik wat tegenover stellen. Dat voelde haast als een plicht. Allan houdt oprecht van zijn vader en voor hem is zijn vader voornamelijk gewoon een vader. Zijn naïeve oplossingen zijn natuurlijk een uitlaatklep voor de zeker aanwezige, maar onderdrukte vreemde sfeer in huis.'

Erling Jepsen, foto Liza de Rijk
Erling Jepsen, foto Liza de Rijk

'De verhalen over dat hij een dodenlijst op gaat stellen en bedenkt hoe die mensen dan moeten overlijden en dat hij zijn zus uit de inrichting wil redden, heb ik met humor willen vertellen. Ik ben van oorsprong toneelschrijver en heb veel komedies gemaakt. Humor en ook de focus van de naïeve verteller dienen als vriendelijke gids naar de lezers toe. Ik wil de lezers meenemen op een aangename reis, waarvan ze pas aan het eind denken: hoe ben ik hier beland?'

De manipulatie van de schrijver werkt. Heel goed zelfs, want wat als een fantasierijk verhaal over een dromerige jongen begint, eindigt als een heftig verhaal over een gezin dat moet leren leven met een drama. Toch blijft het gevoel van het begin overeind: nog steeds is er dezelfde jongen, alleen de harde realiteit is ondertussen in zijn wereld aan het doordringen.

‘ De vader doet aan iets, wat ik ‘de tirannie van het medelijden’ noem. Hij heeft altijd iets om over te klagen en doet dat op een wijze waardoor zijn omgeving zich schuldig gaat voelen. De oudste zoon is er niet meer vatbaar voor en confronteert hem daarom ook met zijn gedrag. Maar Allan en zijn zus zitten nog onder druk, terwijl moeder zich passief opstelt. Misschien is moeder daarom wel de echte kwade genius. Maar over de moederfiguur heb ik een ander boek geschreven, waarin de jongen dertig jaar ouder is en, na de dood van zijn vader, zijn moeder opzoekt.’ (Dit boek getiteld Met oprechte deelneming komt volgend jaar in Nederland uit – RvN)

De kleine christelijke gemeenschap in de jaren ’60 in Denemarken van Erlings vertoont grote overeenkomsten met gelijksoortige dorpen in Nederland. Niet alleen hangt de religie als zwarte wolk boven het dorp, vooral ook het ontzag voor de wet en bovenal de benauwende ons-kent-ons-sfeer drukken op het gezinsleven.

‘Schuldgevoel, schaamte en angst overheersen. Natuurlijk wisten familieleden en buren wat er speelde, maar het benoemen of er zelfs iets aan proberen te doen, ging hen te ver. Angst om het toch bij het verkeerde eind te hebben of angst om iets overhoop te halen spelen daarbij een rol. Vanuit het gezin zelf gaat het vooral om de angst om beschaamd te worden.
Ondanks dat er veel veranderd is, qua hulpverlening en qua openheid, ben ik niet optimistisch over dit onderwerp. Nog steeds worden er kinderen misbruikt, nog steeds zegt de omgeving vervolgens “altijd al zo’n vreemd gevoel gehad te hebben”. Nog steeds houden teveel mensen zich stil.’

Het perspectief en de toon in het boek refereren sterk aan jeugdboeken, terwijl Erlings als toneel- en romanschrijver geen ervaring heeft met schrijven voor kinderen. Als ik hem vraag wat zijn literaire voorbeelden zijn, kan hij echter alleen maar op namen van kinderboekenschrijvers komen:

‘Hans Christian Andersen, Mark Twain, A.A. Milne. Er is ook genoeg volwassen literatuur die mij gevormd heeft, maar het wil me niet te binnen schieten. Of het moeten toneelschrijvers zijn, zoals de absurdisten Pinter en Beckett die ik in mijn jeugd al veel las. Daarnaast is er in Denemarken een sterke verhalenvertellertraditie. De laatste jaren is die veranderd in een stand-up-storytelling circuit. Ik doe daar veelvuldig aan mee. Dan sta ik op een podium uit het hoofd verhalen te vertellen. En daarbij kom ik terug bij een wijze les die ik van mijn vader heb geleerd. Mijn vader had namelijk “de macht van het woord”. Hij zei: “Je moet simpele woorden gebruiken en in je verhaal naar een punt toewerken. Vervolgens moet je juist wel benoemen waar men voor vreest.”
Deze les gebruik ik als ik al improviserend verhalen vertel, maar ook in mijn romans. Uiteindelijk wees deze les van mijn vader mij erop dat ik het juist over die vader moest hebben in dit boek. Dit is een harde ironische waarheid, besef ik me nu.’

Tekst: Ricco van Nierop

Fotografie: Liza de Rijk, voor meer van haar werk zie haar fotoblog en Vrrooom!! with a view