• Titel:Uw Afwezigheid
  • Auteur: Edwin Fagel
  • Uitgeverij: Nieuw Amsterdam
  • ISBN: 9789046803332
  • Datum bespreking: 27 November 2007

Aanwezig door afwezigheid


Op donderdag 22 november presenteerde Edwin Fagel, literatuurredactuur en recensent van deze website, zijn eerste poëziebundel. Onderstaande recensie werd tijdens de presentatie uitgesproken door mederecensent Hans Raphaël Bouman.


1. Schroef de koudwaterkraan op de geyser door middel van de moer. 2. De toestelmantel van boven aan beide haken hangen en opsteken. 3. Alle knoppen weer opsteken. Edwin Fagels debuutbundel Uw afwezigheid leest als een gebruiksaanwijzing. Helder en beknopt taalgebruik. Geschreven vanuit een noodzaak. En, hoewel dat niet voor iedere gebruiksaanwijzing geldt, vriendelijk voor de gebruiker.

De bundel is opgedeeld in acht hoofdstukken en wordt voorafgegaan door een gedicht zonder titel. De avond is gevallen, iemand loopt over straat, een ambulance. In twee, drie schetsen brengt het gedicht je bij iemand die denkt dat hij in de verkeerde straat loopt.

Ik dacht: ik loop in een verkeerde straat –
het bloed trok uit mijn gezicht, het gevoel
alsof ik met het verkeerde meisje voor het altaar stond –

Blz. 5

Niet zomaar een verkeerde straat dus. Eerder een besef van een persoon die heel wat straten terug moet om de weg weer te weten. Wanneer hij dan ook een steeg inslaat, en op een kade komt waar een veer ligt te wachten, bevreemdt hem zelfs de rustige uitstraling van de veerman. Nu niet bepaald iemand die je snel zijn kalmte ziet verliezen.

[...] Zo kalm
als je achter het roer zat, ik geloofde het niet.

Je veegde een lok achter je oor en lachte.
Het veer vertrok. Eindelijk loeide de sirene,
licht aan de overkant.

Blz. 5

Edwin Fagel, foto Bob Bronshoff

Speels en met een heldere woordkeus reikt Fagel in dit gedicht en in andere de lezer ideeën aan. Zonder daarbij expliciete verwijzingen naar Dante, Plato of het Oude Testament nodig te hebben. Niettemin kiest hij zijn beelden met duidelijke gedachtes in het vooruitzicht. Fagel laat je niet nodeloos verdwalen in een beeldenstorm. De opbouw van zijn poëzie is anekdotisch. Je wilt weten hoe het afloopt. En voor je het weet beland je in een sfeer die blijft duren tot voorbij de laatste regels.

Zo ook het in eerste gedicht zonder titel uit het hoofdstuk ‘Een man sterft’. Een middag met een vader en een zoon. Gedachtes.

Ik voelde me niet goed. Dat vertelde ik mijn zoon.
We spraken weinig, een brand in Hoorn,
het ontslag van een minister. Ik zat bij het raam.

Blz. 51

Je komt wat te weten over hoe een vader en zoon de dag hebben doorgebracht. Haast niets bijzonders, zo lijkt het.

[...] Ik was moe, tegen middernacht begon ik
de trap te beklimmen, tree voor tree. Ik raakte meer dan
gewoonlijk
buiten adem.

Op bed zat een man zijn das los te knopen, ik zag hem
toen ik de deur opendeed.

Blz. 51

Eenzelfde gelaagdheid hebben ook de laatste twee regels van het eerste gedicht uit het hoofdstuk ‘Ergens moet je nog zijn’. Iemand haalt herinneringen op aan een geliefde, terwijl hij bij haar bed staat.

[…]
Je bent niets veranderd
sinds ik je in de tuin van je ouders wilde
kussen. Je keek me wezenloos aan,
je lichaam was alert.

Zacht nu, anders worden de kinderen wakker,
je weet toch dat ik altijd van je heb gehouden?

Blz. 17

Edwin Fagel - Uw afwezigheid

Ook hier brengt Fagel met transparante taal de lezer direct waar hij hem hebben wil. De afwijkende context die de laatste zin oproept werkt zo door in al de eerdere zinnen.
Dit bijna klassiek theatrale gevoel voor verhouding, past hij op een andere manier toe in een gedicht als ‘Uw afwezigheid II’. Met de setting – het is wederom avond – roept hij een mysterieuze sfeer op. Gedurende het gedicht wordt die zowel mysterieuzer als duidelijker. Ook in dit gedicht slaat Fagels gewone taal de maat. Terwijl hij opbouwt naar een climax staat hij het gedicht zelfs een grapje toe. Eentje waar je zenuwachtig om lacht, terwijl de spanning voortduurt.

Uw afwezigheid II

Ik zat bij het raam te kijken naar het licht
van de vuurtoren, dat over de daken scheen.
Dank u, dacht ik en ik voelde me gelukkig.

Alles was er. De gedachte aan een besmuikt huilend meisje,
op tv een trage voetbalwedstrijd. Ik was er
getuige van. Ik keek naar een oude boom die aan de
straatkant stond

te bidden. Bomen, dacht ik, bidden niet, maar nu we dan toch
de vergissing hebben gemaakt zou ons een zeker
geloof daarin wel sieren. Deze boom bidt, dacht ik.

Het waaide, ik hoorde – eindelijk! – gezang. Ik zag het
veer naderen,
aanmeren. Toen zwaaiden de deuren open, en drong
men zich naar buiten.
‘Rustig aan, mensen. Alles begint zo dadelijk opnieuw.’

Waar staat u dan?’ Ik begon alvast te lachen. ‘O wacht,
ik zie u al staan.’ Ja daar staat u, u bent het die daar aan
het einde staat,
u heeft nog niets in de gaten maar u bent het wel degelijk.
Daar staat u. Ja,

er is geen twijfel mogelijk. Er is echt geen enkele twijfel
mogelijk.

Blz. 64/65

Fagels gedichten zijn geen handleidingen voor diepzinnige of mystieke ervaring. Maar meer dan welke gebruiksaanwijzing ook wijzen ze naar de grote aanwezigen die tijdens ons dagelijks leven veelal afwezig lijken te blijven.

Hans Raphaël Bouman