• Titel: De grote verdwijntruc
  • Auteur: Onno Kosters
  • Uitgever: Contact
  • ISBN: 9789025406585
  • Datum bespreking: 13 november 2007

Let op! Hier komt de truc!


Afgelopen donderdag zat ik in de nachttrein tussen Amsterdam en Den Haag. En zoals wel vaker in de nachttrein zat ik daar vooral in slaap te vallen. Juist op het moment dat de sluimer over zou gaan in een verkwikkend slaapje, bedacht ik me dat mijn tas wel erg open en bloot naast me op het bankje lag. Omdat ik geen zin had me te bewegen, ging ik in mijn halfslaap na hoe erg het zou zijn als ik straks wakker zou worden en merken dat iemand mijn tas had meegenomen. Volgens mij zat er niets van waarde in. Ik had mijn handen in de zakken van mijn jas: rechts voelde ik mijn portemonnee, links mijn mobiel. Verder zat er alleen een kladblok in die tas, een aantal pennen en een al uitgelezen krant. O – en de tweede bundel van Onno Kosters, De grote verdwijntruc. Die wilde ik toch niet kwijt. Er zat niets anders op dan lodderig mijn ogen open te doen en de tas op een voor dieven wat minder aanlokkelijke plek te leggen.

Begrijp me goed, dit doe ik niet voor alle poëzie. Ik heb voldoende bundels in mijn bezit waarbij ik mezelf er niet van zou weerhouden in slaap te vallen om het risico van een eventuele diefstal ervan uit te sluiten. Kosters, en u zult me niet kwalijk nemen dat ik het eindoordeel al in de tweede alinea van mijn recensie verklap, heeft met deze tweede bundel een fraaie opvolger op zijn opvallende debuut Callahan en andere gedaanten (2004) afgeleverd. Ik zou alleen daarom al verre van amused zijn als juist mijn exemplaar van De grote verdwijntruc zijn titel in praktijk brengt.

Kosters’ debuut viel op vanwege enerzijds de rake karakterschetsen van personen of personages die de meeste van ons ook uit het dagelijks leven kennen. Zo volgden we de daden van o.a. Callahan (ofwel: Dirty Harry in de vertolking van Clint Eastwood) en de toenmalige keeper van voetbalclub RKC Sinouh (nu keept hij in Turkije), bijna altijd met een tragikomisch effect. Ook minder expliciet werd er een virtuoos spel gespeeld met een verbazingwekkende hoeveelheid verwijzingen naar ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur. Anderzijds was de bundel typografisch bijzonder: de drie afdelingen waren allen op een verschillende wijze opgemaakt. Ook had het debuut een hele eigen toon, een merkwaardige mengeling van naar cynisme neigende ironie en een speelse uiting van virtuositeit, die zich uit in de belezenheid van de dichter en diens vermogen de taal op een creatieve manier naar zijn hand te zetten.

Onno Kosters, foto Ronald Hoeben

Deze zelfde elementen komen we ook in De grote verdwijntruc tegen. De hoofdrollen worden dit keer gespeeld door de lijfwacht van Al Gore (‘de vierde doelman van de wereld’), Burt Lancaster en vooral Robinson, een personage uit de gedichten van respectievelijk de Amerikaan Weldon Kees en de Engelsman Simon Armitage. De gehele tweede helft van de bundel, vanaf de korte afdeling ‘Over naar Robinson’, is rond deze Robinson geschreven. Anders dan Callahan is Robinson geen tragikomische machoheld, geen figuur waar iedereen wel een voorstelling van heeft. Hij heeft niets te maken met Robinson Crusoë, maar is een personage dat oorspronkelijk in het leven is geroepen door Weldon Kees; een Amerikaanse dichter die zelf onder merkwaardige omstandigheden is verdwenen. Robinson is veel minder grijpbaar dan Kosters’ eerdere personages, bij zowel Kees en Armitage als bij Kosters, hij is een figuur die er tegelijk is en niet is, die op onverwachte momenten opduikt en verdwijnt:

Die avond omzichtig op weg met lijn tien
dacht ik Robinson heel in de verte voor me te zien

(p. 39)

Dit beeld van Robinson heeft Kosters letterlijk ontleend aan zijn Engelstalige voorbeelden, waarvan hij achterin, in de bijlage, een aantal eigen vertalingen heeft opgenomen. Ook in de poëzie zelf maakt Kosters daar trouwens geen geheim van:

Volgens Bernlef in een oude Raster
bevatte bijna elk gedicht wel “ijzersterke regels,”
maar
zelfs antiquarisch
zeldzaam
was maar moeizaam
aan Kees’ Collected Poems
te komen, een lastiger klus dan het vullen van een leemte
tussen Kafavis en Kosters in boekhandel Perdu.

(p. 37, ‘Op zoek naar Weldon Kees’, Vrij naar Simon Armitage, ‘Looking for Weldon Kees’)

Onno Kosters - De  grote verdwijntruc

Maar in de handen van Kosters krijgt Robinson wel degelijk gestalte en is zijn verschijning aanleiding voor treffende observaties van het moderne leven (‘In de trein, jij? Mijn e-mail nog gehad?’), leuke taalspelletjes en zelfs een prachtige relativering van het medium poëzie. In ‘Weeralarm’ beweert de ‘ik’, na het vinden van een briefje van de glazenwasser Robinson:

Ik geloof niet in metaforen.
Maar dat bedoel ik overdrachtelijk.
Lappen bij regen is gevaarlijk en zinloos.

Ik vind die laatste regel briljant in zowel de bedrieglijk alledaagse formulering als de context waarin hij wordt gebruikt. En het gedicht gaat vrij geniaal verder in een beschrijving van een plotseling noodweer dat na een snikhete dag opsteekt (“het onweer dat volgde,/ een span paarden, had iets klassieks (…)”). Om in de slotstrofe te hernemen met: “Maar wat ik vertellen wilde (…)”.

Het vat in een notendop de techniek van Kosters samen. Hij slaat in zijn dikwijls lange gedichten vaak schijnbaar onbekommerd aan het babbelen. Het gedicht over de lijfwacht van Al Gore beslaat bijvoorbeeld tweeëneenhalve pagina om in steeds andere bewoordingen de gedachte uit te werken dat deze lijfwacht eigenlijk overbodig is, net als de vierde doelman, die wel zit te wachten op het moment dat hij in mag vallen. Maar alle woorden staan op de juiste plek en dienen trefzeker het door de dichter beoogde doel – met overigens meer variatie in toon dan in zijn debuut. Tot uiteindelijk ook de poëzie zelf verdwijnt (op p. 59).

Ook Callahan zou ik niet graag missen, maar als de dief dan toch een van Kosters’ bundels zou willen stelen, dan toch liever niet De grote verdwijntruc; daar hoop ik nog langer plezier van te hebben.

Tenslotte kan ik het op deze plek toch niet laten de conclusie van mijn recensie van Callahan en andere gedaanten nog eens onder de aandacht te brengen. Ik concludeerde namelijk:

Kosters schrijft afstandelijke poëzie. Daarmee doet hij denken aan de goochelaar die om de haverklap roept: ‘Let op! Hier komt de truc!’ En inderdaad, de truc die dan volgt is van hoog gehalte. Maar om mee te slepen, om de lezer te overtuigen en bij wijlen ook te raken, volstaat de trukendoos niet. Een vleugje hart zou hier uitkomst kunnen bieden.

De grote verdwijntruc opent met de woorden:

Hier is de grote verdwijntruc:
kijk naar de vrouw in de kluis,
de deur staat nog aan
(…)

We zullen de parallel op toeval houden; in ieder geval geeft Kosters hiermee aan dat er niets mis is met een mooie truc. Als de truc geslaagd is, en dat zijn ze in deze bundel ongetwijfeld, dan past een welgemeend applaus.

Edwin Fagel