• Auteur: F. Starik
  • Titel: Songloed
  • Uitgever: Nieuw Amsterdam
  • ISBN: 978-90-468-0284-7
  • Datum bespreking: 29 maj 2007

Zingen in de zon


Sommige mensen knakken de ruggen van boeken. Anderen steken hun neus tussen de bladzijden. De meeste lezers openen simpelweg het boek en beginnen met lezen. Ik heb de gewoonte om eerst alle opsmuk door te lezen en het boek te checken op hoofdstukindeling. Ik doorloop bij dit proces een vaste volgorde: eerst de achterflap en eventuele zijflaptekstjes, vervolgens de verantwoording, het dankwoord en/of colofon. Daarna schiet ik naar voren en lees de inhoudsopgave en (indien aanwezig) één of meerdere motto’s. Bij de nieuwste dichtbundel van F. Starik ging ik niet anders te werk, met één opvallend verschil: ik bleef langdurig lachend achterin hangen bij de verantwoording. Een kleine geruststelling voor de nieuwsgierige poëzieliefhebbers: er staan ook gedichten in de bundel.

De flap

Songloed is de titel van de nieuwste Starik, een mooi vormgegeven bundel, met ruim 80 bladzijden poëzie. Op de achterflap siert de kop van de dichter: witte boorden omhoog, sik naar beneden en bril recht vooruit, vooral de ogen achter de brilglazen spreken boekdelen: hier presenteert een zelfverzekerde dichter zijn werk. De flap vermeldt waar wij de dichter van kennen: zijn project De eenzame uitvaart, maar geeft tevens weer waar de titel op slaat: Songloed is een goedkope, niet smerige supermarktwijn, maar verwijst vooral naar een ambitie van Starik. Goedkoop en niet smerig te zijn? Nee, Starik wil ‘wandelen in het overweldigende licht, zelfs al schijnt de zon op haar schoonst, wanneer zij ondergaat.’ Halleluja, Amen, zou ik daar bijna aan toevoegen. Een romantisch, bijna religieus, streven. Tevens op de achterflap een gebruikelijk recensiecitaat. Maar bijzonder hierbij is dat het niet om een vorige bundel gaat, maar om Songloed die met lovende woorden (“Songloed is een hedendaags Nader tot U”) luid wordt toegezongen door het juryrapport van de Poëzieclub.

De verantwoording

F. Starik

In de acht bladzijden Verantwoording geeft Starik van de meeste gedichten aan wat de aanleiding was en soms zelfs hoe het gedicht te interpreteren is. Voor de kunst-om-de-kunst-lezer niet van belang, maar voor de resterende lezers is deze Verantwoording een zeer handige en, vooral, geinige inleiding tot de gedichten. Een inleiding die toch wel wat zegt over het opmerkelijke dagelijks leven van de dichter. Hij laat zich bijvoorbeeld portretteren met een baard van vis, schrijft gedichten bij wijze van Hommage aan het Fonds der Beeldende kunst, ruilt bundels met Cor van Keuks, wie deze onbekende dichter ook moge zijn. Starik laat zich inspireren door rondvliegende lijken, maar schrijft met hetzelfde gemak over de Kerncentrale te Petten of over The Birthday Party. Waarbij Starik de interpreterende lezer alvast waarschuwt: verwar de ik in de gedichten niet met de dichter zelve en niets heeft met een okapi ( - ) te maken. Wel wil Starik graag stadsdichter van Apeldoorn worden en daartoe schreef hij ‘De Apeldoornse weg’.
Uit het feit dat het gedicht ‘Kastanje’ eerder verscheen in de bundel Kastanjedichten kunnen we opmaken dat Starik na de eenzame doden wellicht een nieuw onderwerp te pakken heeft waarmee hij nog jaren doorkan: dichten over uitstervende bomen. Voorlopig brengt de dichter een ode aan het Sportfondsenbad, dat, ik citeer hier de Verantwoording: “niet geheel onterecht op de nominatie staat om gesloopt te worden. Goed schoonmaken zou ook al helpen.”
Al lezend in de Verantwoording begin ik steeds vaker even het bijbehorende gedicht erbij te zoeken. In het geval van ‘Badmeester’ is dat een hilarische en tegelijk gore ervaring:

Badmeester

Mijn zoon en ik. Woensdagmiddag.
Sportfondsenbad. Wat er glinstert
stinkt ons tegemoet – dapper duiken
wij de kleverige vloeistof in

vegen losgeschoten inlegkruizen
stukjes stront van tussen de bil geweekt
met koninklijke gebaren van ons af
ploegen door kalknagels, duizend

kinderplassen, bejaardenincontinentie
de duikplank van het diepe af, versnellen
langs pleisters over bloed die voor straf

niet blijven plakken. Wij gaan
ons straks wel wassen. We laten ons
heel langzaam dieper zakken

driftig met de beentjes
wapperend, met kleine scheutjes
ons ontlastend.

(p. 39)

F. Starik - Songloed

De meest komische verantwoording geldt het gedicht ‘Otto’: ‘ontstond als opdracht voor een firma in dierenbenodigdheden, maar ze vonden het gedicht te somber. De beloning zou bestaan uit een jaar lang gratis kattenvoer, wat nog best veel is als je geen kat hebt. En je moet het allemaal op verjaardagen weggeven.’

Otto

Als Otto overlijdt, wat God verhoede
dan vraag ik aan de dierenarts
of hij al het goede van mijn lieve rooie
kater voor mij opzijlegt, voor later

Van zijn staart knip ik, mooi recht,
een iets te korte das. Van zijn darmen
span ik nieuwe snaren voor mijn contrabas,
de vacht bewaar ik voor een fraaie winterjas.

Eén twee Otto’s nog te gaan.
Dan lig ik even koud en stijf te kijk
en gun ik hem mijn hart, de nieren

en de lever kleingesneden.
Nuttige dieren, wij. Otto
knort tevreden.

(p. 56)

De gedichten

Na deze uitgebreide, achter in de bundel te vinden, inleiding, zou je de bundel terzijde kunnen leggen. De Verantwoording van Songloed biedt op zichzelf al een mooi, alternatief en humoristisch kijkje in het leven, en specifiek de werkwijze van de dichter.
De liefhebbers van poëzie dienen echter verder te lezen. Starik biedt zijn werk in vier delen aan: 1. Groen, over de ‘ik’ en de mens zelf. 2. De Apeldoornse Weg, over reizen. 3. Doodsliedjes, over sterven. 4. Bedscènes, over het leren liefhebben. Starik geeft in zijn Verantwoording aan dat het wel wat laat komt, dat leren liefhebben, na de dood van deel drie. Deze thematische indeling is handig voor de luie lezer, al stonden de gedichten in een willekeurige andere volgorde, de thema’s en motieven liggen er bij Starik bovenop. Starik is geen moeilijke dichter. Aangezien Starik wel een goede dichter is, is deze lezer daar niet ontevreden mee. Het sterke in de poëzie van Starik zit ’m in de combinatie van anekdote en ritme. Hij vertelt simpele verhaaltjes in zijn gedichten, die vol zitten met scherpe inzichten en humoristische terzijdes. Zowel ‘Badmeester’ als ‘Otto’ zijn daar goede voorbeelden van. Soms benadert de stijl en het ritme die van het proza. Een gedicht als ‘Afwassen in films’, dat mij als filmliefhebber zeer bekend voorkomt, is niet alleen als gedicht te lezen, maar ook prima als een scherp essay over het fenomeen Afwassen in films:

Afwassen in films

Er wordt hooguit één bord in het water gestoken.
Dan gaat de bel. De handschoenen worden aan het schort
gedroogd (komedie) of zorgvuldig uitgetrokken (drama).

De afwasser is altijd een vrouw. Soms staat er een man
ter decoratie naast, een theedoek werkeloos in zijn handen,
hij heeft nog niets gedaan. Heeft de man een schort aan

staat er iets lolligs op. Hij kookt, voor zijn hobby.
Wordt er geen bord maar een mes uit het water genomen
dan vallen er straks doden. Glazen zijn functioneel

voor zover ze in de overdracht stuk kunnen vallen
en in de volgende verzoenende scène tot bloed
en pleisters leiden, dat is het einde.

(p. 71)

Ricco van Nierop