• Evenement: The Music in my head
  • Plaats: Paard, Den Haag
  • Data: 11/12-11-2005
  • Datum bespreking: 14 November 2005

Gedreven optredens,
maar waar is de stilte?


The Music in my head bevat al enkele jaren drie soorten artiesten. Er zijn de oude bekenden, de intieme singer-songwriters en de jonge honden. Die laatsten zijn weer te verdelen in de hippe jonge honden en de totaal niet-hippe jonge honden. De editie van 2005 kenden Roisin Murphy, The Posies, Elbow, BRMC en Tracy Bonham als oudere garde en een hele kennel aan jonge honden vanuit Engeland, Amerika, Ierland, Helsinki (Australië) en eigen land. Maar waar waren de singer-songwriters?



Hype Honden



Hoe kleiner de zaal hoe groter de hype, moet de organisatie gedacht hebben. Maar het bleek het omgekeerde: de hype is de band Clap your hands say yeah vooruitgesneld, waardoor de kleine zaal waarin ze geprogrammeerd staan, binnen no time vol zit en zich een rij vormt tot ver in de claustrofobische trap. Ook passend bij een hype zijn de vele mensen die de zaal alweer uit willen na drie liedjes en doodleuk melden dat er voorin nog genoeg plek is: de vraag is alleen: hoe daar te komen? Maar ook halverwege de trap is het wel duidelijk: Deze Amerikaanse band doet hard zijn best op de Engelse bandwagon te springen waar Franz Ferdinand, The Kaiser Chiefs en Dogs Die in Hot Cars al ruim een jaar in zitten. Om mee te doen, stuiteren ze met lopende bas en nasale stem van Velvet Underground naar New Order om via Talking Heads weer terug te keren in het spoor van de eerder genoemde bandwagon. Gedurende het concert weten ze maar een enkele keer de genialiteit van hun voorbeelden te halen, wat niets afdoet aan de lol die ze uitstralen.

Hoe nieuwe Engelse bandjes het doen na de laatste invasie laten de heren van The Departure zien en horen. Ze klinken overduidelijk als een combi van jaren 80 bandjes, wat een ongeschreven wet lijkt. Daarnaast houden ze de boel goed op tempo zodat de mensen wel dansen. The Departure moet het niet van de veelgenoemde Talking Heads of XTC hebben maar van Depeche Mode, The Cure en Echo. Britser, gestroomlijnder en dansbaarder krijg je het niet en dat lijkt zanger David Jones te beseffen als hij tussen de songs uitroept: ‘so marvellous our Britishness.’ In de zaal laten de semistoere mannen zich door de lieve jongens overhalen tot een dansje, biertje nog wel in de hand, het moet niet te gek worden.

In Nederland doen we het met GEM – op de vorige editie nog onbekend de roem naar zich toe zingend, nu dankzij reclametunetjes in de hitparade – en staan dit jaar Quagga en Saunawest geprogrammeerd. Quagga speelt rauwe elektro-rock naar Brits model dat nog aan alle kanten rammelt, maar die zanger mag er wezen. Mr Qute combineert de looks en de gedrevenheid van een jonge Tom Waits met de stem van een levende Robert Palmer. Deze jonge honden mogen door naar de volgende ronde. Saunawest is de vleesgeworden teenage angst verpakt in een Rotterdams mannetje met een te krap legerjasje aan. Ze zetten het Paard-café terecht in vuur en vlam met hun hotpop.

De Ierse band The Frames hoort niet bij de jonge honden vanwege hun leeftijd (al tien jaar bezig), maar is absoluut in Nederland nog geen oude bekende. Het is een gemis dat de band dit jaar pas hier doorbreekt. En dat lijken de bezoekers op MIMH tijdens hun optreden in één keer goed te willen maken. De zaal staat stampvol en is terecht zeer enthousiast. Zanger Glen Hansard raakt erdoor overmoedig en zingt een halve zin, zet vervolgens zijn hand aan zijn oor en luistert naar een zaal, die reageert door stil te blijven wachten. Geen hond die de teksten van The Frames kent. Opzwepend, gedreven, het zijn mooie adjectieven zich zonder problemen laten voegen voor het optreden van de Ieren. Als ze aan het slot een slaapliedje (‘Star star’) zingen, neuriet de zaal en masse mee. Wat helpt is dat The Frames de song over laten gaan in een slome versie van ‘Hotellounge’ van dEUS.



Stray Dogs



De grens tussen hip en niet-hip is vaag, dat weet zelfs Patricia Paay. De Australische band Architecture in Helsinki levert een vreemde ervaring op. Hoewel ze nu in het door Rem Koolhaas verbouwde Paard te Den Haag staan te spelen, sta ik plots in een Berlijns kraakpand rond 1980. Komt het door de artistiekerige aanpak van het achttal? Komt het door de ongrijpbare funkpunkfolkjazzplunkoperarock? Vreemd genoeg doet het optreden ook denken aan een uitvoering van de plaatselijke muziekschool die uit hun leerlingen een bandje hebben moeten samenstellen. Want welke band komt nu met een overschot aan blazers en keyboardspelers aanzetten?

Compleet niet-hip is Ella Bandita, die de term rockbitch nog verder uitholt dan mogelijk. Enkel gekleed in twee laarsveters van Yngwie Malmsteen, speelt ze, op een van Chicks on Speed geleende gitaarvormige commodore 84, haar AC/DC-solo’s, waar ze nog wat onzinnigs overheen schreeuwt. Tussen het gescheld door doet ze de groetjes aan haar Rotterdamse fans en tot slot springt ze op de bar, stoot haar hoofd tegen de glitterbol en springt ze in het publiek, dat voor de helft uit fotografen bestaat. Beste Sint, wilt u zo lief zijn Ella een microfoon te geven op 5 december, zodat ze voortaan gewoon thuis haar ding kan doen. Doe er ook maar een koptelefoon bij, dat scheelt weer een isolatiemuur bij haar buren.

How low can you go? Vraag het die zanger van The Crash Test Dummmmmmies of vraag het Leonard Cohen. Toch wint de zanger van het Londense Absentee het met gemak van deze bassen. Gek om dat geluid uit zo’n ielig mannetje te horen komen. Absentee is typisch zo’n MIMH-bandje met gasten die de maling hebben aan uitstraling en gewoon hun ding doen. Van hip hebben ze nog nooit gehoord, laat staan van de hedendaagse term voor hip. Dat malle petje op die gitarist en die foute geblokte blouses is nu eenmaal hun ding en dat geldt ook voor dat kleine fluitje van de keyboardbespeelster. Zanger Dan Michaelson zingt niet alleen laag, maar ook dermate duf dat het veel geduld van de toehoorders vergt om liedjes te ontdekken in het geluid dat hij met zijn band voortbrengt. Lo-fi swing op 33 toeren.





Koest nou!



Stefan Oosthof, voormalig zanger van de Haagse band Broshim blaast hoog van de toren in het Paard-café met de woorden: ‘I’ll burn this place to the ground’ maar zwakt deze bedreiging onmiddellijk weer af met het gemeende ‘I’m a liar’. Zijn hoge stem en zijn liefdesliedjes weten nog niet geheel te overtuigen, maar zijn een welkome afwisseling met het gitaargeweld in de andere zalen. Hij mag dan bang zijn te weinig ‘rock’ over te komen, juist zijn rustige aanpak is zijn kracht. Van de Jack Stafford Foundation kan dat niet gezegd worden. Deze band (zangeres, zanger en zijn bakkebaarden) brengt lievige liedjes, waarvan ik niet weet of het camp is of serious bussiness. Ergens tussen Crosby, Stills, Nash (& zeker geen Young), de EO-jongerendag en Belle & Sebastian in, blijken er nog meer glimlachende artiesten te zijn die ons willen overtuigen van de maakbare wereld. Al doet de JSF (misschien zegt de afkorting al genoeg) dat wel met een knipoog, getuige hun belachelijke teksten: ‘This job is my reason for life’.



Ouwe trouwe roedel



De oude garde was op voorgaande edities een stuk ouder (denk aan Roger McGuinn, Ian McColloch, Television) dan dit jaar. Black Rebel Motorcycle Club draait bijvoorbeeld pas vijf jaar mee, maar kunnen niet meer vernieuwend genoemd worden. Hun punkblues heeft met hun laatste album Howl wel een nieuwe dimensie gekregen, maar ze zijn eerder verder in het verleden gedoken dan dat ze vooruit kijken. Als Peter Hayes vrijdag opkomt, wordt een slavendrijvers-chaingang-song weggedraaid en doet hij solo ‘Complicated situation’ een regelrechte countryblues-song. Alsof het 1935 is. Als de andere leden zich bij hem voegen gaat het meer als de BRMC klinken. Harder vooral, maar nog wel blues-minded. Er ronkt een bluesgeest genaamd Red Devil rond in het Paard. Driestemmig zingen ze ‘Time won’t save our souls’ want ‘There ain’t no easy way out.’ Ja wat wil je: ‘Whatever happened to R&R?’

Diezelfde avond doen Elbow waar ze goed in zijn. Ze brengen hun sterk opgebouwde songs (veel dynamiek) in een goed opgebouwde set voor een zaal met fans herkenbaar aan hun monden die op de juiste momenten de juiste woorden meezingen. Na Marillion en Coldplay is het niet meer dan logisch dat ook Elbow met zijn emorock (lees keyboardrock) fans zou krijgen. Als ik meer oog krijg voor de stok, waar de kreupele zanger vervaarlijk mee begint te zwaaien, weet ik dat het tijd is om de Escheriaanse trappen te betreden die me leiden naar een andere zaal.

The Posies zijn terug en ze zijn ouder dan ooit (net als iedereen overigens). De dwarse gitaarrockers spelen ongecontroleerd en maken er vooral tussen de songs door een zootje van. Ken Stringfellow blaft 'Fuck the Posies' en schreeuwt om ‘Krezip, The TMF, CyberChoice, Kane, Kane, Kane!’ De zaal roept iets bierbrallerigs terug. Hier is geen sprake van miscommunicatie of foute afstemming van doelgroepen: dit is geheel de bedoeling. Want als de heren vervolgens het podium afstappen om doodleuk tussen het publiek door te spelen, levert dat een nog grotere puinbak op. Simpelweg flauw puberaal gedrag van veertigjarige rockers. Geheel overbluft ben ik als tijdens het weglopen ‘Start a life’ wordt ingezet. Een gloedvolle, prachtig gezongen versie weten diezelfde heren neer te zetten.

Bij Roisin Murphy vroeg ik me af hoe ze haar uit jazz en verknipte soundscapes en samples bestaande solodebuut live zou brengen. Het antwoord is net zo simpel als effectief. Ze heeft de van Moloko bekende knoppenman Ed Stevens meegenomen, een driekoppige blazerssectie en een wekker. Stevens dirigeert de hele band met strakke hand en met nog drie handen over voor vijf keyboards en twee pc en andere machinerie. Geweldig hoe hij de door Murphy ingezongen vocalen direct gebruikt als tweede stem en hoe hij een duel aangaat met de drummer door zijn partijen in de volgende maat al te verknippen. Murphy is niet meer of minder de Murphy van Moloko. Haar klerenkast bestaat nog immer uit tweedehands herbewerkte galakostuums, met nachtclubveren en cabarethoedjes. Haar act heeft ze ietwat uitgebreid door haar band erbij te betrekken. De muziek swingt, funkt, rockt, irriteert (bij bombastische uitspattingen) en pleziert.



Het hoogtepunt van twee avonden muziek komt op naam van de, hoe ouder hoe kleiner geworden, zangeres Tracy Bonham. Een leeg podium met enkel een viool in de standaard en een dame in een vale jurk met een gitaar om haar nek. Een dame die gaandeweg steeds meer loskomt en zichzelf staat te wezen. Ze speelt van haar drie albums een mix van rocksongs en ballads. Ondanks deze solobezetting klinken de stevige songs als ‘Sharks can’t sleep’ en ‘Mother mother’ heftig. Ze schakelt soms tijdens een song over van gitaar naar viool om een solo te spelen, waarbij ze haar gitaar in de standaard door laat ronken. Tijdens de uithalen in ‘Sharks can’t sleep’ gaat haar stem van zingen in lachen over en als ze ‘Thumbelina’ wil spelen, vraagt ze zich af hoe het refrein ook al weer ging en probeert doodleuk twee alternatieve versies uit. Innemend. Tussendoor vertelt ze over haar terugverhuizing van LA naar New York, omdat ze in drie jaar LA maar 1 vriend maakte en een hele berg heimweeliedjes. ‘Dumbo sun’, van haar jongste plaat, is daar wel de vrolijkste van. Met nog een Beatle-cover (‘Blue jay way’) en een zeer strakke ‘50 foot queenie’ van PJ Harvey maakt ze haar hartverwarmende set compleet.



In vergelijking met vorige edities was op MIMH 2005 de verhouding tussen singer-songwriters en (rock)bandjes niet goed. Alleen Stefan Oosterhof, de Jack Stafford Foundation en een ingetogen Tracy Bonham kunnen het gemis van meerdere intieme liedjesschrijvers niet verhullen. Vanwege de verplaatsing van het Spuitheater naar het Paard is de meer rockgeoriënteerde programmering begrijpelijk, maar jammer is het wel. Dit wil niet zeggen dat de bandjes die op Music in my Head 2005 stonden bij elkaar niet een meer dan geslaagde editie volspeelden. Gewoonweg omdat er weer veel gedreven muziek gemaakt werd in Den Haag.



Tekst: Ricco van Nierop Foto's: Edwin Bergeman



Lees verder in relevante recensies op de Recensent:

- The Music in my Head - Editie 2004
- The Music in my Head - Editie 2003