• Auteur: Gwenaë
  • lle Stubbe
  • Titel: Tja
  • Uitegever: Stichting CBK Zeeland
  • Datum bespreking: 8 Juli 2010

De prosessie van de mekanieke eendjes


Gwenaëlle Stubbe is één van de allerbeste poëten van dit millennium. Hah! Die zin staat alvast. Kijk m daar nu staan, die zin, gebeiteld in een rotswand als hij is. Staat hij. En zegt hij. En blaast hij òp het aloude resensentenkliesjee Nu Al Voer Voor In De Jaarlijstjes! (hoe lang is het geleden dat u dìe nog las? twee weken? drie dagen? een half uur?), tot in ekstremis. En de ekstremis is de enige mis die past bij Gwenaëlle Stubbe.

Eilaci eilaci wordt haar werk weinig tot niet vertaald in het Neêrlands. Daar ik uit diepgewortelde prinsiepes geen Frans lees (zelfs bij het bordje “toilet” kijk ik ostentatief de andere kant uit), is het alleen dankzij de inspanningen van Piet Joostens dat mij enige toegang is verschaft tot de prachtpoëzie van Gwenaëlle Stubbe. En dus VAL IK OP MIJN KNIEËN EN ZEG IK DANK JE PIET! ZEG IK HOEP HOEP HIEZEE VOOR JOU PIET! BRUL IK LAAT HET HOREN VOOR! GEEF HET OP VOOR!! GEEF JE DANKZEGGEN AAN!!! Piet Joostens. Piet foor prezziedunt. Dien mens zou een standbeeld moeten krijgen. Samen met Jan Mysjkin (a.k.a. John Fenoghen, a.k.a. Jean Deman) de enige werkelijk onmisbare literatuurvertaler in de Lage Landen.

Zeg ik. Zeg ik allemaal.

Want

voor nY, bijvoorbeeld, (het tijdschrift dat verplichte kost is voor iedereen met minimaal één oog in zijn kop) vertaalde hij al eens een gedicht van Gwenaëlle Stubbe (m.n. één uit haar Oorlogsepisode-reeks waaruit er hier ook één –een ander- is opgenomen) en nu DOET HIJ HET WEER!!!

En nu is Tja. Een biezonder boekje. En dat is het.

Het verschijnt in een oplage van vijfhonderd eksemplaren als deeltje 130 in de Slibreeks. Dat is een inisjatief van Centrum Beeldende Kunst Zeeland. In deze reeks verschijnen werken van zowel beginnende als gevestigde schrijvers/dichters/filosofen; niet zelden behorende tot de interessantere die er zijn. Met namen als Cornelis Verhoeven, Jan Elburg, H.H. ter Balkt, Raymond Queneau, F. van Dixhoorn, Georges Perec, Arjen Duinker, Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes, Astrid Lampe en Miek Zwamborn in hun backcatalogus ligt het persentaazje moethebben-boekjes relatief hoog, zelfs afgezet tegen een reguliere uitgeverij. Veelal gaat het om onuitgegeven werk, in het begin nog vrij goedkoop uitgegeven maar de laatste tijd kan ook de vormgeving steeds meer tellen. En u kunt u hier op abonneren ook! Voor vierentwintig van de allerlulligste eurootjes ontvangt u vier delen. U weet natuurlijk niet op voorhand wat voor toeren ze daar bij het CBK allemaal gaan uitsteken met die Slibreeks. Maar hun gemiddelde tot nog toe zegt dat u voor dat weinige geldje naar alle waarschijnlijkheid in ieder geval één onvergetelijk deeltje in uw bezit zult krijgen.

Tja verschijnt binst de Slibreeks dan ook nog es als Gaststudio. Hoe gaat dat dan dan gaat het zo: zoon dichter wordt dan helemaal naar Vlissingen gehaald toch zeker, en gestasjoneerd in het kunstenaarssentrum Willem III en tijdens dat verblijf gaat er geschreven! worden. Al moet het dagen duren. In Stubbes geval ging het zelfs om twee korte verblijven.

Miek Zwamborn ging haar voor. Astrid Lampe ging haar voor. Die fucking Willem III zinderde vast van de poëzie, de inspirasie & het leven. En het gaf geboorte aan Tja.

(oftewel bof; “tja” in het frans. wat verklaart waarom olivier blunder zo vaak bof zegt. alleen raar dat die olivierblundervertalers dat zo hebben laten staan. en ik die dat kontinuë bof altijd nog zo prachtigmooi absurdisties vond. betekent het godverdomme doodgewoon tja.)

Tja is één lang gedicht, maar verbrokkeld. Als dobberend in een bootje trekken langs de waterkant diverse zweren voorbij. Het zijn die tiepiese waterkantdingen. Het dagdagelijkse op en aan het water. Er zijn drie eenden. Natuurlijk zijn er drie eenden. Er zijn altijd drie eenden. En er is gras. Er is een vrachtschip. Een schaap uiteraard. Individuen wandelend met een hond. Twee neven op een jacht. Zulke dingen. Doodnormaal ja. Alleen niet als Stubbe de dichteres van dienst is.

Stubbe, foto Arnaud Meyer
Stubbe - Tja

Want

de drie eenden worden vertrapt. Om een duidelijke defenitie van het geheel te krijgen. Maar even later leven ze gewoon nog. En zijn het de politiekly correctly ducks. Jaja. En het gras is een grasje ondersteboven op één berm. Het schaap heeft vijf poten, welja want “er is een reptielzijn in het gras dat een schaap niet heeft. Een manier om in het gras te zitten, door het gras gestuurd te worden, die een schaap niet heeft. Die een schaap nooit of te nimmer zal hebben.” En had ik al verteld van die twee neven?

“Mijheer mijn twee gekroezelde neven zijn zielsgelukkig aan boord van het jacht, bij windkracht 7 of 8 of 9 of in toenemende mate bij 10.” bijvoorbeeld? Of “Mijnheer mijn twee neven zitten in toenemende mate gekroezeld op hun jacht, de bestaansreden, het zeezout, gekroezeld Mijnheer de wind kroezelt mijn haar.”?

Het is als een blikken landschap waarin overheen railsjes in de grond dwaze blikken figuurtjes zich houterig en stokstijf stil bewegen, natuurlijk met verzaligde, idiote grijnsjes op hun stupide bakkesjes. Een maffe, hallucinatoire, dan weer beklemmende en dan weer koddige wereld zoals alleen Stubbe die weet te scheppen. Vooral ook omdat alles “eigenlijk” doodnormaal blijft, steeds.

Of Oorlogsepisode ook speesjaal voor het CBK geschreven werd weet ik niet. Misschien heeft Stubbe gewoon een van haar oude oorlogsepisodes ingeleverd; misschien heeft ze haar oorlogsepisodethematiek gewoon hernomen daar in dat Willem III. Voor de zweer maakt het allemaal niks uit. Die blijft ontegenzeggelijk stubbeësk. En sluit naadloos aan op die van Tja.

Want ook nu is er weer een eend. Ditmaal zit die echter onder een hoop bieten. Er is ook weer een familielid. Een tante. Tante Sidonie dan nog. En zo Queneau als dat klinkt is het ook. Tante Sidonie bevindt zich ineens midden op het slagveld (“het is heel bijzonder om op deze plaats tante te zijn”). Eigenlijk had Sidonie opera moeten zingen, althans volgens haar moeder. Maar nu is het te laat. Verdomme, als ik het had geweten, zei ze. Ik heb het je nog gezegd. Ja.

Het werk van Stubbe doet ons wantrouwen aan de gevaarloosheid van het dagdagelijkse. De gewoonste situwasies blijken vol te zitten met de venijnigste absurditeiten; het saaiste landweggetje is bezaaid met valkuilen. Wat je voor je verwachtte; duikt ineens achter je op. Daarentegen is een slagveld weer slaapverwekkend gewoontjes. Alleen maar soldaten die hun brood dopen in hun soep. En een korporaal die twijfelt over de identiteit van een eend.

Dit tonen van het ongewone in het gewone en het gewone in het ongewone geeft de in Brussel geboren maar in Parijs wonende Stubbe een zeker soort van franschheid mee. De al eerder genoemde Queneau is op bepaalde momenten zweries zeker verwant aan haar. Stubbes werk is op dezelfde manier als het zijne prettig ontregelend. Je kunt in haar poëzie heerlijk het spoor helemaal bijster raken, geheel verloren lopen, met een kop vol vraagtekens komen te zitten. En dat is prachtig toch, hoe de meest moderne bizarre man maar een klein duwtje nodig heeft om ontredderd en wanhopig achter te blijven?

Maar natuurlijk zou het feest niet kompleet zijn als er niets te zeiken overbleef. Dus daar gaan we dan:

Dat Tja als tweetalige edisie uitgegeven is, had voor mij niet gehoeven. Je ziet dat wel vaker bij poëzievertalingen (waarom toch nooit bij romanvertalingen?!) en zeker als het gaat om vertalingen uit talen die Neêrlanders geacht worden machtig te zijn – talen als Duits, Frans en Zuid-Afrikaans bijvoorbeeld. Maar voor luu die de oorspronkelijke taal niet spreken, is dat eigenlijk alleen maar verspild papier. Bladzijden die je toch niet leest.

En zelfs al zòu ik de oorspronkelijke taal machtig zijn, dan zou ik me nog niet op elke bladzij onledig houden met de Omzetkwestie. Misschien dat ik me hier of daar zou afvragen Wat zei het orzjieneel? en Hoe heeft de vertaler dat opgepakt?, maar uiteindelijk is het natuurlijk de bedoeling dat je wordt meegesleept door de inhoud.

Hierbij dus een oproep aan alle uitgevers van vertaalde poëzie: STOP MET DIE TWEETALIGE EDISIES!!!

Zo. En oja, van die illustraasies van Gwenaëlle Stubbes broer Wladimir ben ik eigenlijk ook niet zoon fan.

Maar dat alles heeft natuurlijk weinig te maken met de kwaliteiten van Gwenaëlle Stubbe zelve. Vandaar ook dat ik hulde zeg. En ook zeg dat Gwenaëlle Stubbe beschikt over een rijke geest, een orzjienele blik en een moje gele ziel. Kortom, ze is de enige vrouw waarvoor ik mijn eigen vrouw in de steek zou laten. Ofnee. Voordat ik zulke dingen roep. Ik weet niet eens hoe ze eruit ziet. Maar er komt bij dit schrijfsel vast wel een fotootje van haar te staan.

tim donker