• Auteur: Dimitri Antonissen
  • Titel: Schrap me
  • Uitgever: Literair Productiehuis Wintertuin
  • Datum bespreking: 7 Juli 2010

de schoonheid van het krantebericht


Ja ouder worden godverdomme en dan overkomt het ons allemaal. Het kan op straat zijn, of in de huizen. In het park misschien, of in zomaar ergens in een supermarkt. Het kan in een bar zijn ja. Opeens staat het voor je – een stuk uit je oude leven. Iets vergangens. Iets dat je voorbij achtte. Je wist eerst niet eens dat zij het was, en toen je je dat ten volle realizeerde durfde je niet. Maar op het einde van de avond deden de biertjes hun werk en je stapte op haar af. En jullie spraken over jullie nieuwe levens, jullie nieuwe banen, jullie nieuwe geliefden. En met geen woord repten jullie van wat was.

Zo zou het kunnen gaan.

Ikzelve echter zat gewoon tuus. Waar zou ik anders gezeten hebben? Ik zat tuus en er was dit boek waar ik mijn handen op had gekregen. schrap me van Dimitri Antonissen. Overdag is hij sjef nieuws bij Het Laatste Nieuws en saavonts neemt hij kranten allerhande en gaat erin zitten strepen. Gewoon strepen. Hij pakt een stift en hij maakt alle woorden zwart. Net zo lang tot er van het oorspronkelijke krantebericht nog maar een paar woorden meer overschieten. Die woorden noemt hij stiftgedichten. Dit is hoe hij zijn poëzie maakt. Hij kapt alle overbodige woorden weg en wat dan overblijft is een gedicht.

En ik moest denken aan toen ik nog studeerde. Ik zei je al, een oud leven. Een vorig leven. Ik dacht dat het al gekonsumeerd was, gemassekreerd zo je wilt. Ik dacht dat het dood was, en daar stond het weer, ineens, midden in mijn huiskamer. Mijn studentenleven. Hoe hing ik daar halfdood in die bankjes tijdens de kolleezjes. Er was één ding waar alle dosenten het over eens waren: schrijven is schrappen! Schrijven is schrappen, jongelieden. Opdat wij het niet in onze domme hoofden gingen halen dat deze hier professies waarvoor wij opgeleid werden –scenarioschrijver, reklameschrijver, tijdschriftzjoernalist, zakelijk schrijver- iets als gemakkelijk konden wezen. Zo van tot ver in het middaguur in onze bedden blijven rotten, en dan opstaan, een pot koffie drinken, onze muze bellen, ons wat woorden in laten fluisteren, achter de kompjoetur plaatsnemen, de ingeluisterde woorden in minder dan geen tijd op een disketje knallen (ja toen had je nog geen uu es bee stiks, beste jongelieden, ik zeg je toch steeds al dat het oud leven was) en allee komaan weer een opdracht gedaan en op naar de kroeg dan maar. Nee zo ging het niet wezen. Moeizaam. Transpiraasie. Hele dagen ploeteren. En op het einde van de week al je moeizaam bijeen geploeterde woordjes niet goed genoeg geacht zien en terug naar de tekentafel. Een hard gelag, dat ging het wezen. Omdat schrijven schrappen is ziet u wel.

En dan komt deze hier Dimitri Antonissen en radikalizeert dat belachelijke kliesjee diermate dat ik er godverdomme mee kan lachen. Ja. Dat vind ik een moje fuck you naar al die belachelijke dosenten. De woorden zo letterlijk nemen dat er van schrijven inderdaad alleen nog maar schrappen overblijft. Dat noem ik anarchie. Het doet denken aan Joti ’t Hoofts Is Het Zo Kort Genoeg Meester? (een apokrief verhaal trouwens, helaas goede lezer, op een keer zag ik zijn moeder in een dokumentaire beweren dat joti’s gemillimeterde koep wegens ziekte een tragiese en niet een anarchistiese achtergrond had).

Dat was mijn 1ste gedachte.

Mijn 2de gedachte was – waarom zou je het in Godsnaam doen? Waarom zou je in Godsnaam met honderdduuzend kranten verspreid op de vloer gaan zitten puzzelen tot je ergens een gedicht ziet verschijnen? Ja? Waarom? In Godsnaam?

Dzjie! Wij hebben onszelf een cut up poet! was mijn 3e gedachte, en mijn 4de gedachte gold Paul Bogaers. Die schreef voor Uitgeverij IJzer (toen Uitgeverij IJzer nog engiszins ergens op sloeg en niet die belachelijke weet-je-wat-we-geven-gewoon-ALLES-uit-dat-maar-uit-te-geven-valt uitgeverij was van vandaag de dag) enkele boeken waarvoor hij woorden en zinnen knipte uit wagonladingen boeken die hij snaaide van boekenstalletjes en kringloopwinkels en dat soort. En mijn 5de gedachte was dat ik Paul Bogaert eigenlijk beter vind dan Paul Bogaers.

En toen nog een 6de: dat het misschien een questie is van mogelijkheden. Dat het zoiets is als de beeldhouwer, om er maar es een ander kliesjee bij te slepen, die het beeld reeds ziet zitten in het onbewerkte blok en alleen maar het overbodige steen moet wegkappen om het te onthullen. Dat het maar is wat je ziet schemeren – achter het krantenbericht. En vooruit – een 7de misschien nog: is poëzie misschien het Wezen der dingen? Is poëzie wat je overhoudt als je alle laagjes vernis van de dagdagelijsheden afkrabt? Is poëzie het zwerfvuil, de afgezaagde praatjes met bekenden op straat, is het de koffie, je nieuwe auto, is het je neukzweet, zijn het de spruitjes, is het het konijn van de buren, is het het grafschrift van grootma? (was het niet Peret wiens grafschrift geniaal genoeg luidt Dit brood lust ik niet!?).

En zo heb ik al van alles gepeinsd en ik heb nog geen letter gelezen. Dat doe ik nooit meteen. Letters lezen bedoel ik. Daar wacht ik altijd even mee. Ik hou het meest van dit aftasten, dit peinzen, dit vrijelijk vermoeden. Want wanneer je het gelezen hebt, heb je het immers maar gelezen. Het gaat er niet eens om dat ik bang ben voor teleurstellingen – al loopt het inderdaad meestal uit op een teleurstelling. De vlucht die iets in je hoofd aanneemt en de Werkelijke Vlucht. Het eerste gaat meestal veel hoger dan het laatste. Hoe zou het anders. In je brein bunt er geen beperkingen.

Maar meer dan dat nog is het dit. Door een boek te lezen (of een seedee te beluisteren), neem je er kennis van. En daarna ken je het dus ook werkelijk. Dat betekent: je hebt het voor eeuwig afgesneden van wat het allemaal had kunnen zijn en het doen vastvriezen in wat het vanaf nu altijd zal zijn.

Liever nog even peinzen, denken, filosoferen, vermoedens hebben. En dan? Dan komt het lezen. En al lezende in schrap me kon ik me maar nooit helemaal aan de indruk onttrekken dat ik een Idee aan het lezen ben. Iemand heeft een Idee gehad en dat Idee lees ik nu. Dat is een goed ding, en een slecht ding.

AA

Nergens wordt verhuld hoe deze gedichten tot stand zijn gekomen: met de zwarte stift in de hand. (niet voor niets spreekt Antonissen van “stiftgedichten”). Ze zijn opgebouwd uit woordbrokken, fragmenten, zinnen, letters uit kranteberichten en al het overbodige materiaal is eenvoudigweg weggekalkt. Dat ziet er vizueel alvast fantasties uit. Dat is het goede ding. Brokken zin van wit, woorden van wit, soms niet meer dan losse letters van wit drijven in een oseaan van zwart. Het maakt van schrap me alleszins de best ogende bundel van 2010. Dat kan veilig gezegd worden. Zelfs de oorspronkelijke krantenrubrieken zijn intakt gelaten: schrap me is onderverdeeld in afdelingen als “contactadvertenties”; “televisie”; “weerbericht” en “boekenbijlage”. In het gedicht de heer Reenders, vallende in de rubriek “televisie”, is veel van de oorspronkelijke pagina eenvoudig wit gelaten. Behalve het gedicht, kan de lezer dus ook aankondigen vernemen van suffe televisieprogramma’s als Ingang Oost en De TV Show.

Antonissen - Stiftgedicht

Het andere goede ding is dat deze krantenpoëzie leest als een trein. Omdat het materiaal waar Antonissen mee werkte steeds beperkt bleef tot de lengte van één krantebericht (waarvan dan ook nog zoon negentig tot vijfennegentig prosent geschrapt werd), kun je zijn poëzie in elk geval niet in de schoenen schuiven dat ze te lang blijft doorzeuren. schrap me is dan ook gelezen voor je banaan kunt zeggen. Ik heb het hele boekje in één keer uitgelezen, tijdens een en hetzelfde toiletbezoek (toegegeven zij wel dat ik die keer flinke diarrhee had) en dat is een welkome afwisseling van alle hermetiese doordenkpoëzie die ik normaliter tot me neem.

Het slechte ding is dat Antonissen er mijns inziens niet op elke bladzijde in slaagt deze bundel zich te laten uitzingen boven wat men als een “aardig eksperiment” kan kwalifieseren. Dat heet, de gedichten in schrap me willen inhoudelijk nog wel eens te wensen overlaten. Van een gedicht als:

kus
mij
lichamelijk
en
gratuit
wanneer het donker
is

of als:

zij
(knipogend)
spreekt alleen Engels
Ik
oefen
: “’You are so beautiful’.
Voilà.”
,maar
tegen
dan
is
zij er spijtig genoeg niet meer.

of als:

met
mondjesmaat Frans
praten
en
kamperen
o
nder
het accent circonflexe

zou ik –losgedacht van de prachtige vormgeving die hier natuurlijk niet overkomt- waarschijnlijk nooit meer denken als “tsja, grappig”; zeker als ik de achtergrond van de totstandkoming niet kende.

Terwijl het heel best mogelijk is om op de krantenpagina’s hele straffe poëzie te vinden. Dat blijkt wel uit Zoals het was: NIETS BLIJFT ZOALS HET WAS/neem nu/gisteren/het is/daar nu/ongezien/beter dan het was; uit Fantasy: Fantasyfilm.//Hij zoekt/een meisje//dat hij/van de ene plek naar de/andere kan teleporteren./België//of/zo; uit Vervelend: vervelend//geen/spektakel//geen/show.//ge/woon/ een klein gedicht. en uit nog wel wat gedichten, waarbij de schoonheid vaak ook zit in de korrelaasie tussen de woorden en de vormgeving (en dierhalve niet na te vertellen). Vergeet zeker geen aandacht te besteden aan het wondermoje Geheim op pagina 36. Dat is een van die gedichten die je zelf geschreven (of in de krant gevonden) had willen hebben.

Vanwege de unieke onstaansgeschiedenis en vanwege een tiental prachtgedichten (en das altijd nog een bovengemiddelde skore) is schrap me hoe dan ook verplichte kost voor elkendeen die zichzelf een poëzieliefhebber durft noemen. Vanwege de schitterende vormgeving is die aanschaf net zo verplicht voor kunstliefhebbers, vormgevers, grafiesie en meer van diergelijk krapuul. Welke waarde schrap me over pak ‘m beet tien jaar nog zal blijken te hebben, is moeilijk te zeggen. Allicht kan dat pas gezegd worden als Dimitri Antonissen inmiddels iets als een oeuvre heeft opgebouwd.

Mocht hij ertoe besluiten in volgende werken de woorden uit hemzelf te halen, en niet langer uit de krant, dan is het te hopen dat hij het inhoudelijk vaker interessant weet te maken dan in schrap me zonder dat het iets van de puntigheid of terloopsheid van deze bundel hoeft te verliezen.

Mocht de dichter echter zoeker blijven, en in het volgende ons ook de poëzie toont in memo’s, advertentieteksten, stripboeken, levensmiddelenetiketten en de kerstkaartjes van zijn oma dan kan hij uitgroejen tot een poëties filosoof (of een filosofies poëet) die ons keer op keer met de neus drukt op de schoonheid van het banale.

Mocht hij zijn zoekerij echter bundel na bundel tot de krant blijven beperken, dan kan dit nog wel eens heel erg snel heel erg oud worden.

tim donker