• Auteur: Daniël Dee
  • Titel: Monsterproof
  • Uitgever: Uitgeverij Passage
  • ISBN:97890 5452 214 0
  • Datum bespreking: 14 Mei 2010

om zoiets kan ik nu kwaad worden


In 2005 kwam bij Uitgeverij De Geus Daniël Dee’s dichtbundel Vierendeel uit. Dit is wat er op het omslag stond:

“’Er zijn genoeg meelopers en na-apers, maar alleen Daniël Dee beschouw ik als een waardig opvolger.’ –J.A. Deelder”

Om zoiets, goede lezer, kan ik nu kwaad worden. Ik ben een zeer vriendelijk, ruimdenkend, ontspannen mens. Daarvan zal elkendeen kunnen getuigen. Uit mijn mond kan slechts zeer zelden een onvertogen woord worden opgetekend. Daarvan zal elkendeen kunnen getuigen. MAAR ZOIETS KRIJGT MIJ KWAAD.

Wie denkt Deelder namelijk wel dat hij is? Waarom zou die man überhaupt een opvolger nodig hebben? En dan al helemaal de arrogansie hebben iemand als Daniël Dee als zijn “waardig opvolger” aan te wijzen! Dee is Deelder al lichtjaren voorbij. Waar Deelder al veertig jaar lang dezelfde gedichten schrijft, al veertig jaar lang dezelfde haardracht heeft, al veertig jaar lang diezelfde bril, al veertig jaar lang diezelfde stomme kutkop, al veertig jaar lang over dezelfde onderwerpen murmelt (en herinner me eraan: als hij godverdomme nog EEN KEER begint te emmeren over hoe Jimi Hendrix ooit bij hem geslapen heeft, ga ik perszoonlijk naar de studio om hem op zijn bek te slaan. dat wil zeggen: als hij er in een live-programma over begint. en als ik toevallig zit te kijken. en als ik die dag niet te bedonderd, beroerd, lui of angstig ben om de trein te pakken) en al veertig jaar lang van EKSZAKT DEZELFDE MUZIEK houdt (hoe kan er nu in jezusnaam geen millimeter ontwikkeling in je muzikale voorkeuren zitten, desennia na desennia al niet?), kent Dee, voor de bescheiden tijd dat hij nu dichter is tenminste zoiets als ONTWIKKELING.

Dus praat godverdomme over dingen waar je verstand van hebt (Robijn Black Velvet bijvoorbeeld) en laat de dichtkunst aan de getalenteerden over.

En wat denkt zoon De Geus eigenlijk? Zoon ronkend kwootje van een Bekende Nederlander doet het altijd wel goed? Zoals Nijgh en Van Ditmar ooit es op de LUMINEUZE idee kwam om Kees van Kooten een boek van Berckmans aan te prijzen (ook al op het omslag). Wat net zoiets is als Jan Keijzer reklame laten maken voor een seedee van John Zorn. Of Bassie en Adriaan de promosie laten verzorgen van de nieuwste David Lynch.

Voor wie Dee sedert Vierendeel genegeerd heeft: HERADEM! het enige waarin Dee op Deelder lijkt is de eerste drie letters van diens achternaam (en zun woonplaats misschien). Hij gaat gewoon verder en verder de paden op, de lanen in. Hij blijft niet stilstaan. Hij is geen parodie op zichzelf. Hij is DICHTER godverdomme.

En hij dicht. Hij dicht, iets meer dan voorheen dunkt mij, prozagedicht in Monsterproof.

En hij dicht. In openingsgedicht De namen van de grote dinkers ben ik vergeten dicht hij:

“Duiven pikken de hersenen uit mijn hoofd, slierten kronkelende roze wormen.//Aas dat bungelt voor de neus als het geluk, ongrijpbaar.”

En ik denk Bij wie hoorde ik deze regels eerder? Scraping Foetus of the Wheel? Sylvester Anfang? Swans? Slayer? Marilyn Manson? Alice Cooper? En de slotzin van datzelfde gedicht luidt:

“En nu ga ik spreken in vurige tongen.”

Daniel Dee

En ik denk humja het is alles wel een beetje opgezwolluh, n beetje pateties voor een openingsgedicht nespah? Is dit de eerste stap opweg naat Gothic Poetry ofzo? Maar neuh. Vanaf het twede gedicht Aan mijn ongeboren kroost staan we weer midden in de wereld:

“het spijt me het is me niet gelukt//met die wereldvrede”

heet het, en:

“en ik heb ook geen geneesmiddel//tegen kanker ontdekt maar ik heb//mijn best gedaan echt waar//ik heb er hard voor gewerkt”

Midden in de wereld, bij de afwasteil want tegen zijn “ongeboren kroost” zegt hij ook nog:

“en als je dan straks dertien bent//dan verbied ik je de zeven zeeën te bezeilen//als je zo nodig met water moet spelen//doe je maar de afwas”

Daniël Dee - Monsterproof

en dan denk ik aan een zeker meisje dat een tijdje terug zo vaak in het nieuws was omdat ze graag overheen de hele wereld zeilen wilden en er waren anderen, en die wilden dat niet. (en de buiten-poëtiese wereld blijft terugkeren, zo kan ik mij bijvoorbeeld niet aan de indruk onttrekken dat Ik kan hem niet betrappen op het maken van een grap over Kees Torn gaat).

En als het zo langsheen aktualiteit en algemeenheid gaat, langsheen grappen en gremellachjes, langsheen absurdisme en somberte, langsheen dagdagelijksheid en surrealisme denk ik ineens aan Claude Simon. Die, in navolging van moderne schilders, de afschaffing van het clair-oscur eiste voor de literatuur. Weg met de sensationalistiese hiërarchie waarin één (natuurlijk verheven)beeld mooi uitgelicht in het midden op het podium komt te staan en de rest maar zoon beetje in het donker blijven moet. Bij Daniël Dee kan (net als bij Claude Simon) het “grote” evenveel aandacht krijgen als het kleine, dat wat alle dagen gebeurt wordt even groots gepresenteerd als de once-in-a-lifetime events, maar, belangrijker nog, hij lijkt ook niet te onderscheiden tussen droom/fantasie enerzijds en dat wat meer doodse geesten anderzijds als werkelijkheid/realiteit aanmerken. Daarmee komt hij op het terrein van een van mijn eigen stokpaardjes: het beslechten van de muren tussen droom en daad! Wèg met de benauwdheid van het “het was maar fantasie”…! Alsof wij enige toegang hebben tot een “wereld-an-sich”…, alsof niet alle werkelijkheidsbeleving altijd al in uw eigen kop plaats vindt!

En hoezee voor Daniël Dee denk ik dan, zelfs als dit poetica moet uitmonden in een redelijk flauw, bijna kabartesk (het lijkt godverdomme hans dorrestein wel) haatdicht tegen witlof (zong drs. P trouwens niet jaren geleden al iets diergelijks… een anti-andijvie song ofzoiets…?)!

Toch kan ook een “dichter over alles” niet buiten zijn eigen preokkupaasies. En wie al lezende steeds verder leest en leest, zal merken dat het bij Dee toch wel het vaakst over relasies gaat. En dan vooral òfwel splinternieuwe relasies òfwel ouwe relasies waar de sleet in gekomen is en die op het punt van knappen staan (of net geknapt zijn). Dat geeft Monsterproof een bepaalde onvolwassenheid mee, een onvolwassenheid die echter zeer prettig is. Een onvolwassenheid die raakt aan jongensachtig, aan nieuw, aan nog alle mogelijkheden open, aan wat ongedwongen, nonsjalant, achteloos ineens – zomaar- heel mooi kan zijn. Zoals:

Daniël Dee - Monsterproof gedicht

Wie nu niet op de grond naar adem ligt te snakken, kan wat mij betreft het schurft krijgen! En hoe kwaad ik dan kan worden als zoiets prachtigs vergeleken wordt met – ofnaja, laat ik de stemming niet verpesten met daar weer over te beginnen.

Het langstrekken van verschillende zweren, stemmingen, stijlen (op het einde, als uitsmijter, zowaar nog even een mooi voorbeeld van vizuele poëzie), geeft, in kombinasie met de vele prozagedichten èn het aanbrengen van verschillende “hoofdstukken” (simpelweg een t/m zes genummerd) in deze bundel, voedels aan de gedachte Monsterproof als pilroman te beschouwen.

Maar er gewoon een hele moje, sterke, ontroerende dichtbundel in zien mag natuurlijk ook. Een mens vraagt zich af waar Dee uit gaat komen als hij deze stijgende lijn blijft voortzetten. Misschien wel met wolken om zijn hoofd?

tim donker