Kunnen wij postuum nog iets van u verwachten?

Op een of andere manier moet ik iets schrijven, bijvoorbeeld over mijzelve, het geeft niet wat, als het maar mooi is. Ik heb van alles medegemaakt, bijvoorbeeld een gehele oorlog, het woord zegt het al. Zo zou misschien de nieuwe roman van Gerard Reve zijn begonnen, als hij nog in staat was geweest te schrijven. Iemand anders heeft het boek over hemzelve moeten schrijven, omdat de grote schrijver aan het aftakelen is. Die iemand anders werd Ad Fransen, redacteur van HP/de Tijd. Fransen volgde een jaar lang het dagelijkse leven van Gerard Reve en zijn levensgezel Joop Schafthuizen. Hij schreef een boekje over dat jaar, een roerig jaar waarin Reve de Grote Prijs der Nederlandse Letteren ontving en Schafthuizen vanwege een zedenschandaal in opspraak raakte: De nadagen van Gerard Reve.

Waarom Ad Fransen? In Brieven van een aardappeleter schreef Reve over Fransen dat hij hem, volgens zijn vroegere echtgenote Hanny Michaelis, het beste interview ooit af had genomen. Dat verklaart nog niet helemaal waarom Reve en Schafthuizen juist hém in huis haalden om dit boek te schrijven. Want zelden heeft iemand een boek geschreven waar ik zo dubbelhartig tegenover sta. Eindelijk een teken van leven van de schrijver, na alweer bijna vijf jaar na Het hijgend hert. Maar ik denk tijdens het lezen voortdurend: had Reve het zelf maar geschreven. Of op zijn minst een begenadigder schrijver.

Gerard Reve wordt met recht gezien als een van de grootste Nederlandstalige schrijvers van na de Tweede Wereldoorlog. Zijn De avonden is klassiek, maar zelf ben ik pas na het lezen van Op weg naar het einde Reviaan geworden. In dat boek worden met grote vanzelfsprekendheid een groot aantal provocatieve ideeën verkondigd, terwijl je geen moment zeker weet wanneer hij ironisch is, en wanneer serieus. Dat ernstige spel met humor houdt hij tot aan het uiterste toe vol. Literatuur met hoofdletter L. Een schrijver die een dergelijk boek kan schrijven, en ik zou nog een aantal titels kunnen noemen, vergeef ik graag de stroom middelmatige boeken die hij in de jaren zeventig en tachtig publiceerde.

Ad Fransen schetst het beeld van twee aandoenlijke oudjes. Reve moet door Schafthuizen worden verzorgd. Zijn geestelijke vermogens zijn flink achteruit gegaan. Fransen citeert een onsamenhangende betoog dat Reve over W.F. Hermans afsteekt om dit te illustreren:

[Hermans] vader was niet goed bij zijn hoofd en op een gegeven moment werd hij ontslagen en kreeg hij dertig gulden in de maand in plaats van zestig. Hermans leed daaronder en heeft dat aan mij verteld. Maar daarna werd hij bang dat ik het aan anderen door zou vertellen. Hij vertrouwde niemand en ineens mij ook niet meer. Hij was een heel goede schrijver en hij had een geweldig gevoel voor humor. Ik vond zijn werk heel goed. Alleen had hij altijd van die ingewikkelde titels zoals: Waarom ik niet krankzinnig ben. Kijk, daar kom je niet ver mee in Frankrijk of Engeland. De vierde man, dat is veel makkelijker te vertalen. (p.60-61)

Aan de andere kant blijft de oorspronkelijkheid van zijn manier van denken wel doorklinken in de dialogen. Bijvoorbeeld als bekend wordt, dat hij de Grote Prijs der Nederlandse Letteren niet uit handen van de Belgische koning zou ontvangen. 'Dit is laster tegen de koning. Zijn hofhouding heeft hem wijsgemaakt dat wij homoseksueel zijn. Daar had die man nog nooit van gehoord, daar hadden ze hem beter op voor moeten bereiden.'

Het was een roerig jaar voor Reve en Schafthuizen. In het Letterkundig Museum was een tentoonstelling gewijd aan het werk van Reve. De Grote Prijs der Nederlandse Letteren werd hem toegekend, maar niet uitgereikt, omdat Joop Schafthuizen in opspraak was gekomen. Schafthuizen legt in het boekje nog eens uit wat er precies gebeurd is (de inmiddels beruchte term pielemuisje komt weer langs). Hoewel er niet veel nieuws in vermeld wordt, is het interessant het verhaal van binnenuit nog eens te lezen. Ook is het boekje rijk aan andere anekdotes, die inzicht geven in de huidige stand van zaken in 'huize Reve,' zoals Fransen het noemt.

Ad Fransen is op het moment bezig in HP/De Tijd zijn Memoires van een cokesnuiver op te schrijven. Deze memoires staan naar mijn gevoel dicht bij De nadagen van Gerard Reve. Fransen legt uit dat de oorzaak van Reves aftakeling bij diens overmatige alcohol- en drugsgebruik ligt. 'Was ik maar echt oud en door de doktoren opgegeven. Dan mocht ik nu drinken wat ik wou,' zegt Reve hier zelf over. Al met al is het treurig deze scherpe schrijver zo hulpeloos te zien. De foto's die halverwege het boekje staan opgenomen, zeggen in dit opzicht misschien nog meer dan het betoog zelf. Bij vlagen zie je nog die indrukwekkende man met het hoekige gezicht. Maar dan moet je goed kijken, want Reve is een oude man geworden, die duidelijk, zoals hij het zelf uitdrukt, 'niet goed bij zijn verstand' is.

Zonder af te willen doen aan het goede werk van Ad Fransen, blijf ik het jammer vinden dat dit schrijnende verhaal van een groot schrijver in zijn nadagen niet door een beter schrijver is opgetekend. In dit boekwerk stoort vooral het tuttige taalgebruik. Het wemelt van termen als kwebbelen en kouten, en de formuleringen zijn soms tenenkrommend: 'Maar soms, ja soms weet je niet zeker of Reve niet speelt met zijn vergeetachtigheid.' De teksten van Fransen steken schril af tegen de aan het slot van het boekje opgenomen romanaanzetten van Reve. Deze zijn erg kort, maar prachtig.'Verdomme, zie je wel. Hij kan het nog. Ontroeren,' noteert Ad Fransen. Deze week stond in de Volkskrant een cartoon van Gummbah, waarin een schrijver geïnterviewd wordt. 'Laatste vraag,' zegt de interviewer. 'Kunnen wij postuum nog iets van u verwachten?'

Laten we het hopen.

Edwin Fagel