print deze pagina

Het spoor van Alfred Schaffer



Auteur: Alfred Schaffer
Titel: Definities en hallucinaties
Uitgeverij: Perdu
Datum bespreking:
 
Alfred Schaffer

Wat goed is, komt snel. En wat snel komt - daar is ook iets mee. En Alfred Schaffer kómt snel. In 2001 genomineerd voor de C. Buddingh' Prijs met zijn debuut Zijn opkomst in de voorstad en onlangs genomineerd voor de VSB poëzieprijs met zijn opvolger, Dwaalgasten. Snel komen lijkt in het geval van Schaffer ook snel schrijven te betekenen. Want vorige week verscheen zijn derde bundel alweer, Definities en hallucinaties, gedichten (met tekeningen van Judith Veldhoen) die hij in opdracht van de Jo Peters poëzieprijs (voor Zijn opkomst in de voorstad) schreef.

Met de derde bundel van een aanstormend dichter is een recensent op een punt beland dat hij eigenlijk iets moet zeggen over de ontwikkeling van de dichter. Heeft hij de belofte die hij was waargemaakt? In welke richting is zijn stijl geëvolueerd? Is hij van een jong, onstuimig talent naar een volwassen, gerijpte dichter gegroeid? Dat soort zaken.

Al bij zijn debuut bleek Schaffer een dichter die zijn poëzie graag in de handen van de lezer legde. Titels en regels als 'Kies nu een gedachte', 'Nu het open einde', 'Dat laat ik graag aan jou over', 'deze avond verdient iets beslissends', 'en dan stopt het' werden in Dwaalgasten opgevolgd door 'Zelfs een oordeel biedt geen oplossing', 'Deel van de opdracht', 'wachten op een vervolg', etcetera. 'Schaffer houdt het bij het registreren van de dingen', schreef ik in een recensie over zijn debuutbundel. En dat is eigenlijk zo gebleven. Verwacht bij Schaffer geen afgerond geheel met kop en staart, maar zet je schrap voor absurde en anekdotische fragmenten die even snel als ze opkomen weer verdwijnen in een volgend absurd en anekdotisch fragment.

Waren het in Dwaalgasten nog figuren als priesters, leerlingen en sollicitanten die voor dwaalgast mochten spelen; in Definities en hallucinaties lijken het vooral de gedichten zelf die de dwaalgasten zijn. De twaalf titels zijn stuk voor stuk uit een tegenstrijdigheid opgebouwd: 'Feit en fictie', 'Geweld en tederheid', 'Hier en daar', 'Begeerte en bezit', etcetera. De enige twee titelloze gedichten zijn op hun beurt weer tegenstrijdig aan elkaar doordat ze het eerste en het laatste gedicht van de bundel vormen. In het geniep weet Schaffer een coherente bundel te smeden:

Het begint met een begroeting, met een brief die plechtig
ondertekend wordt. Ten teken dat een akkoord is bereikt

tegenover

Het eindigt met een bezoek aan een geboortedorp,
met een tocht op een rondvaartboot. Met een vliegtuig.

Coherent is niet bepaald het woord dat als eerst te binnenschiet wanneer je de gedichten afzonderlijk leest. Van het ene beeld wordt naar het andere beeld gesprongen. De ene situatie is nog niet afgerond of de volgende is al in aantocht.

Feit en fictie

'Wat kunnen we nog voor je doen?' De bekende vraag,
het ongevraagde antwoord. Misschien een liedje

voor het slapen gaan? 'In die tijd kon dat nog!' Het wonder
van toeval en reflectie maakt zelfs een mes of vork

onschadelijk, blinkend op de keukentafel, niet langer
een lokkend protest maar een bonte verzameling vlekjes,

dansend tegen een witgekalkt speelvlak, licht en hoog.
Het gefluister in de deuropening. De brieven ongeopend.

'Niets anders dan een verzameling van botten en huid,
een massa afgerond.' Deze toespraak zonder menigte.

Een bonte verzameling vlekjes lijkt me onbedoeld een aardige typering voor het gedicht en de gedichten zelf. Via een vraag belanden we bij bestek vanwaar we rechtstreeks overgaan naar gefluister in een deuropening en, niet te vergeten, de ongeopende brieven. Ook een toespraak zonder menigte over botten en huid mag uiteraard niet ontbreken.


 

Dit toontje is geenszins denigrerend bedoeld, want ik vind dat Schaffer wegkomt met zijn tactiek van de overtreffende hak op de overtreffende tak. Sterker nog: ik vind het zijn kracht. Zijn gedichten lijken opgebouwd uit alles wat hem maar voor de voeten ligt: de gesprekken op straat, de natuur, poëzie, logica, het dagelijkse leven, noem maar op. Ik stel me graag voor dat Schaffer om tot een gedicht te komen achtereenvolgens naar een supermarkt gaat, een filosofielezing bijwoont, tussendoor even een dichtbundeltje leest en de dag afsluit met een wandeling door het park.

De veelzijdigheid die Schaffer zich toestaat, levert hem een scala aan mogelijkheden op. Zo ken ik niet veel dichters die zich gezegden kunnen permitteren in hun poëzie:

Doorgestoken kaart. Dagen achtereen.

Kiezen of delen, daar komen ongelukken van.

Gedane zaken nemen geen keer: niet in de woonkamer, niet bij de voordeur als het bedtijd is.

De grote voorsprong door techniek. Waarna de officiële verklaringen.

De druk is van de ketel. Zo zou een loflied kunnen beginnen.

Het lijkt erop dat de definities en de hallucinaties uit de titel van de bundel elkaar constant op de hielen zitten. Een gezegde (definitie) wordt ingevuld op een plek waar je geen invulling verwacht (hallucinatie). Er wordt iets nieuws uit een bestaand gegeven gepeurd en alles wat het bestaande gegeven eraan kan doen, is toekijken hoe het gebeurt. Die wisselwerking geeft vaak een heel komisch effect. Gewoon maar een willekeurig gedicht:

Stilstand en beweging

Flikkerende lampen voor de hoofdingang van het station,
de druk is van de ketel. Zo zou een loflied kunnen beginnen.

Langs perron 9 snelt een goederentrein, op dit onbekende uur
een minutenlange streep die de betonnen hal doet dreunen,

de verlaten trappen, de onbemande loketten, de levensgrote
posters die sigaretten aanprijzen, radiofrequenties, parfums -

stralende gezichten. Pislucht. En nergens een druppel water
na een kraakheldere dag. Onder andere omstandigheden was

het nu nog licht, alles tot in de puntjes voorbereid, de keuze
tussen een retourtje of een enkele reis. Haast was geboden.

Paradoxaal genoeg wordt al die variatie gaandeweg een beetje saai. Omdat ieder gedicht min of meer dezelfde variatie van door elkaar gehusselde en over elkaar tuimelende beelden en ideeën kent, is het totaalplaatje heel wat minder gevarieerd (het is ook nooit goed). Schaffer heeft duidelijk een eigen stijl, maar lijkt soms wat al te ijverig in zijn pogingen om aan die stijl te beantwoorden. Ongemerkt is hij in die situaties zijn eigen grote voorbeeld geworden dat hij krampachtig imiteert.

Met Definities en hallunicaties en eerder al met Dwaalgasten heeft Schaffer zijn stijl zoals die zich in zijn debuutbundel openbaarde verder uitgebouwd en zich eigen gemaakt, maar daarmee verloren aan variatie en speelsheid in de gedichten onderling. Ik zou bijna zeggen: terug met die beginnersfouten! Tweeënhalf jaar geleden genoot ik van de spanning van een dichter die een stijl op het spoor was. Nu geniet ik van een dichter die de stijl inmiddels heeft gevonden en haar aan de haren uit de grond heeft getrokken. Ik hoop dat Schaffer snel weer iets nieuws op het spoor komt en dat ook blijft, want op het spoor zie ik hem toch het liefst.

Danny Degenaar


 
Niets van deze pagina's mag worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
copyright © de Recensent 2000-2002