print deze pagina

Een sigaret in China Town



Regisseur: Roman Polanski
Titel: Chinatown
Hoofdrolspeler(s): Faye Dunaway, Jack Nicholson
Datum bespreking: 19-08-2003
 

Enige weken terug prees een goede vriend van mij, onder het genot van een biertje, een film op het grond van het feit dat hij zo realistisch was. Vooral het verhaal, vond hij, had ‘zomaar in het echt’ kunnen plaatsvinden. Hoewel hij naast de bioscoop ook regelmatig een kroeg bezoekt, heb ik hem deze nooit eens horen prijzen om zijn realiteit. Ook winkelstraten ontsnappen keer op keer aan zijn lofzang op hun realistische gehalte.

Een half jaar geleden bezocht ik een tentoonstelling van M.C. Escher, in het Emmahuis. Temidden van al die onmogelijke tekeningen en wiskundige figuren hing een, naar Escher maatstaven, opvallend ‘gewone’ schets. Het betrof een uitzicht vanaf een, naar ik vermoed, balustrade van de Nieuwe Kerk in Delft over het stadsplein. Er lopen wat mensen, er staan wat lantaarns en schattige, knusse huisjes die elk een eigen schaduw werpen. Een bedrijvige doordeweekse dag. Het uitzicht wordt echter een beetje belemmerd door de spijlen van de balustrade. Zo onttrekken ze enkele dakpannen aan het zicht, verscheidene kozijnen, schoorstenen en lichaamsdelen van voorbijgangers: een man mist een arm, een vrouw stelt het zonder been.

Ik kan niet anders zeggen dan dat het tafereel me aanspreekt, omdat ik het realistisch vind. Van een landschap zie ik nu eenmaal ook niet alles, omdat er een flatgebouw in de weg staat, of een hijskraan. En wanneer ik vanachter mijn computer naar buiten kijk, wordt die blik gehinderd door millimeters dikke lamellen. En hier wringt de schoen. Waar ik het criterium ‘realiteit’ in de waardering of afkeur van een film irrelevant acht, geeft het in mijn oordeel op het Delftse uitzicht de doorslag.

Hoe kan dat? Om die vraag te beantwoorden, is het wellicht raadzaam de criteria van de realiteit zélf erop na te slaan. Op welke gronden wordt een film eigenlijk realistisch bevonden? Zit er een maximum aan het aantal achtervolgingen? Hebben schietpartijen met een vastgesteld quotum te maken? Wat is de hoogte van het plafond der stunts? Hoe luidt de regelgeving op het gebied van plotwendingen? Wat betekent een terminaal kankerpatiëntje voor het realiteitsgehalte? Of een echtscheiding? Een kidnapping?

Het ziet ernaar uit dat, zolang al deze zaken zich binnen het aardse en volgens de wetten der logica en fysica afspelen, de realiteit niet zo gek veel te vrezen heeft voor haar rol als kritisch baken. Het doet er niet toe dat achtervolgingen en schietpartijen door de bank genomen niet tot ons dagelijkse levenspatroon horen. Pas wanneer figuren als marsmannetjes, tovenaars, trollen, zeemeerminnen en heksen het doek binnenvallen, figuren uit een buitenaardse of mythische dimensie, is zij haar leven als kritisch baken niet langer zeker.

De oplettende lezer zal hier enige kanttekeningen bij plaatsen. Want bestaat er niet zoiets als ‘verhaalrealiteit’? Marsmannetjes in een science fiction film kunnen behoorlijk aannemelijk zijn. Hetzelfde geldt voor heksen in een sprookje. Wel, beste lezer, omdat u gelijk hebt, zal ik mij beperken tot films die bekritiseerd worden (positief of negatief) puur vanwege het feit dat ze al dan niet realistisch worden bevonden, los van welk ander oordeel dan ook.

De tekening van Escher vind ik realistisch, omdat zij mij daadwerkelijk uit de realiteit lijkt gegrepen. Een film kunnen we realistisch vinden, omdat zij vrij is van onrealistische elementen. Niet om wat we zien – zoals bij Escher - maar om wat we niet zien: marsmannetjes, tovenaars, et cetera.


 

De film China Town, uit 1974, is mijns inziens mede geniaal omdat zij, in vooral één scène, die ‘Escher-realiteit’ uitbeeldt. De scène speelt zich af in een auto, een cabriolet. Jack Nicholson, in de rol van privé detective Jake Gittes, vertelt de bestuurder, Evelyn Mulray (Faye Dunaway), dat hij die middag ontdekt heeft dat er met land in de vallei en de irrigatie ervan wordt geknoeid door het waterbedrijf. Ondertussen pakt hij een sigaret, na er eentje te hebben aangeboden, uit zijn sigarettenhouder. Met een aansteker tracht hij deze te ontbranden, zoals hij dat ongetwijfeld al ontelbare malen heeft gedaan. Maar de aansteker werkt niet mee, misschien omdat er teveel wind staat, misschien omdat hij leeg is. Nicholson schudt wat aan het ding, houdt zijn hand bij de vonk, terwijl hij driftig doorpraat. Nog steeds geen vuurtje. Hij haalt een krantenartikel uit zijn jaszak omdat hem iets te binnenschiet en doet onverwachts een enorme ontdekking (die ik hier verder niet zal belichten). Waarna hij Dunaway aankijkt met een blik die lijkt te zeggen: ‘wat denk je dáárvan?’ De sigaret bivakkeert nog altijd onaangestoken tussen zijn lippen. Einde scène.

Wat mij zo mateloos aan deze korte scène boeit, is de achteloosheid, maar tegelijkertijd ook de noodzaak die ze uitstraalt. Geen kijker zou de sigaret en de vruchteloze pogingen om hem aan te steken hebben gemist als hij had ontbroken. Maar nu die sigaret er is, lijkt hij onontbeerlijk. Waarom zou iemand ook geen sigaret opsteken terwijl hij onverwachts een enorme ontdekking doet? En waarom zou dat opsteken niet kunnen mislukken? Niet groots mislukken, maar gewoon, de roker in kwestie een gevoel gevend van: ‘hè, vervelend.’ De sigaret dringt zich niet op de voorgrond, maar zet de voorgrond in de bloemetjes, als een achtergrondmuziekje.

De scène duurt slechts een minuut en natuurlijk is China Town om veel meer redenen een onvergetelijke film: de setting en de sfeer uit de jaren dertig, de muziek, de acteerprestaties en het onafwendbare noodlot waar de film zich langzaam maar zeker naartoe beweegt, naar China Town. Maar ook gedurende de hele film worden diverse staaltjes van realiteit afgegeven, zonder dat ze van wezenlijk belang zijn voor de plot. Gesprekken haperen, men verspreekt zich, kucht wat, schraapt de keel, et cetera. Zaken die onlosmakelijk bij een gesprek horen, ook al staan we er misschien maar zelden bij stil. Ook de pleister op Nicholsons neus gedurende de halve film vanwege een snee reken ik tot zo’n staaltje realiteit, om het flauwe feit dat hij die snee ook niet had kunnen hebben en zodoende geen pleister had hoeven dragen. Ik had het zelfs helemaal niet raar gevonden om Nicholson zonder snee en pleister te zien..

Zouden Eschers tekening en China Town mij minder hebben aangesproken als ik ze niet met al die realistische verdachtmakingen zou hebben opgezadeld? Ik weet het niet. Een uitzicht op het Stadsplein in Delft dat zich niet gehinderd weet door de spijlen van een balustrade zou mij om heel andere redenen kunnen aanspreken, zonder dat ik het een of ander gebrek aan realiteit voor de voeten werp. Een film waarin een sigaret wordt aangestoken lijkt me in beginsel niet minder realistisch dan een film waarin het aansteken eventjes niet zo wil vlotten.

Zoals ik al zei, het is de combinatie van achteloosheid en noodzaak die mij in de tekening en de besproken scène fascineren. Het is geen verplichting dat het gebeurt, maar het gebeurt, ogenschijnlijk vrij van welke regel of wetmatigheid dan ook. Of Eschers tekening en China Town daarmee getrouwe afbeeldingen van de realiteit zijn – geen idee. Voorlopig volsta ik met de constatering dat het uitzicht op het stadsplein in Delft niet bevolkt wordt door marsmannetjes en dat het een mens is van vlees en bloed die de sigaret in China Town met een aardse aansteker tracht aan te steken.

Danny Degenaar


 
Niets van deze pagina's mag worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
copyright © de Recensent 2000-2002