|
Tussen spontaan en spontaan
|
|
'Het is verleidelijk,' zegt Rutger Kopland in een van zijn essays uit Het mechaniek van de ontroering, 'om bij de vraag of je een boek mooi (of opvallend - DD) vindt een theorie te formuleren, een concept van het volmaakte boek. Hiermee voorzie je jezelf van een aantal mogelijkheden tot voorspellingen. Vallen de waarnemingen die je daarna doet samen met deze voorspellingen of verschillen ze daar duidelijk van, dan kun je met een gerust hart zeggen of iets je bevalt of niet. Immers de theorie schreef de reacties voor, je bent als individueel, persoonlijk lezer geëxcuseerd. (…) Het resultaat is dat je altijd gelijk hebt, wat je ook zegt en dat de oorspronkelijke ervaring van het werk zelf niet ter sprake komt.' Daniël Dee, jonge dichter uit Groningen, heeft bijna alle Nederlandse poëziepodia al betreden, vermeldt de achterflap van zijn officiële debuutbundel 3D - Schetsjes van onvermogen. Nu had ik op voorhand wel een - wellicht niet zo vleiende - mening klaar over podiumpoëzie. Namelijk dat zij als zodanig niet bestaat, maar dat er nu eenmaal poëzie lijkt te zijn die op een podium beter 'werkt' dan op papier (voor de goede orde: ik heb Dee nog nooit horen voordragen). Vervolgens zou ik, een beetje vaderlijk, zeggen dat daar vooral niets mis mee is. Wel zou ik trachten het mechaniek, hoe het komt dat sommige poëzie zich uitstekend voor een voordracht laat lenen, maar op papier minder tot haar recht komt, te doorgronden. Waarschijnlijk zou ik iets over het tempo van deze poëzie zeggen en de hoogte van dat tempo. Verder zou ik niet nalaten te vermelden dat 'podiumpoëzie' (tussen aanhalingstekens) veelal leunt op een clou aan het einde van een gedicht. Daarbij zou ik quasi achteloos het woord 'wisselwerking' laten vallen, om aan te geven waarom een dergelijk foefje (zoals ik het noemen zou) op papier minder effect sorteert. 'De toehoorder,' zou ik schrijven, 'neemt het razende tempo van de dichter over. Daardoor kan het bijna niet anders dan dat hij, ergens halverwege de voordracht, een clou begint te vermoeden die het voorgaande een kader verschaft. Want waar zou die woordenbrij anders heen moeten leiden?' En ik zou zelf het antwoord geven: 'Naar het slot, sukkel!' Aan de hand van een aantal gedichten uit Dee's bundel zou ik een dergelijke theorie moeiteloos kunnen handhaven. Ik zou de betreffende gedichten citeren en zo onschuldig mogelijk 'Kijk maar!' roepen. Want wat weet u er nou van? U hebt de bundel toch niet gelezen! Maar daarmee zou ik Dee tekort doen. Niet omdat ik vind dat het door mij gebezigde en vreemde begrip 'podiumpoëzie' minderwaardig zou zijn aan 'gewone' poëzie, maar om de simpele reden dat poëzie poëzie is, en qua waardering alleen in te delen valt in goed en slecht of iets daartussenin. Wanneer ik bijvoorbeeld zeg dat een voorgedragen tekst mij niet bevalt, dan kan dat kritiek zijn op de voordracht, op de tekst of, in het slechtste geval, op beiden. Maar nooit op het feit dat het een voorgedragen tekst betreft. Genoeg geleuterd nu, terug naar de bundel. Vrijwel iedere dichter heeft zo zijn sleutelwoorden die hij te pas en te onpas inzet. Voor Kopland zal dat 'oud' zijn (of 'mist', of 'verlangen'), voor De Coninck 'zoals', Wijnberg lijkt weer iets met handen te hebben, Van Deel met bomen. In Dee's geval zijn het - ietwat gechargeerd - 'lamlendigheid', 'kater', 'alcohol', 'nacht' en 'café'. Als een ware poète maudit stort hij zich in het nachtleven 'enkel en alleen om drank te kunnen scoren', keert 'zwabberend' huiswaarts 'niet meer in staat tot heerlijk helder drinken en of denken' om zich de volgende dag met zijn lamlendigheid geconfronteerd te zien, zijn 'bedorven overblijfselen en vele volle asbakken'. En natuurlijk vrouwen, maar ook daarvoor geldt: het is één grote doffe ellende: de week daarop kwam ik je tegen (Uit:GEVOELSTMATIG VERNEDERD WEGENS HAANTJESGEDRAGMENTALITEIT) Of een schuldbelijdenis waarin hij op humoristische wijze afrekent met zijn vroegere fetisjperiode waarin hij bustehouders en damesslips van waslijnen ontvreemdde: nu besef ik dat ik daar niet verder mee kom (Uit: SCHULDBELIJDENIS) Dee hanteert een, wat ik noemen zal, quasi slordige stijl - zo gebruikt hij bijvoorbeeld geen leestekens en hoofdletters - die gedichten oplevert die spontaan lijken te zijn ontstaan. Over het algemeen vind ik dat een goede eigenschap in poëzie. Zoals een gebouw minder gebouw is zolang het nog in de steigers staat, zo vind ik poëzie minder poëzie wanneer het maakwerk er nog doorheen schemert. Toch lijkt het bij Dee alsof sommige gedichten daadwerkelijk spontaan zijn ontstaan. Té spontaan, ben ik geneigd te zeggen. Alsof een collageachtige stijl van haastig bijelkaar geraapte woorden hem zo snel mogelijk door het gedicht heen moet helpen met aan het slot, jawel, een clou in het vooruitzicht. Strofen als: of: Hoewel de bundel naar dichtbundelmaatstaven vrij fors is (93 pagina's) en de gedichten naar gedichtenmaatstaven vrij lang en soms erg breedsprakig zijn, leest het geheel verrassend vlot weg. Voor zo'n zestig procent van de gedichten is dat goed nieuws; het laat zich lezen alsof het vanzelf ontstaan is: spits, grappig en prettig nonchalant. Voor de overige veertig procent ligt dat wat minder gunstig; het laat zich weliswaar vlot lezen, maar je leest er dan ook voornamelijk overheen, om redenen die ik hierboven heb proberen aan te geven. Het zal geen toeval zijn dat ik juist deze gedichten, ter ondersteuning, in mijn ongeschreven verhaal over 'podiumpoëzie' zou betrekken. Een van de sterkste gedichten uit de bundel waaraan, stel ik me zo voor, Dee veel werk heeft gehad om het spontaan te laten klinken, wil ik tot slot graag nog even citeren. Vooral het 'ongekend' uit de slotregel heeft hier een prachtige dubbele betekenis. EEN VOORSTEL OMDAT JIJ GEEN VASTIGHEID WILDE |