print deze pagina

Tussen spontaan en spontaan


Auteur: Daniël Dee
Titel: 3D - Schetsjes van onvermogen
Uitgeverij: Passage
ISBN: 9054520957
Datum bespreking: 17-02-2003
 
3D - Schetsjes van onvermogen

'Het is verleidelijk,' zegt Rutger Kopland in een van zijn essays uit Het mechaniek van de ontroering, 'om bij de vraag of je een boek mooi (of opvallend - DD) vindt een theorie te formuleren, een concept van het volmaakte boek. Hiermee voorzie je jezelf van een aantal mogelijkheden tot voorspellingen. Vallen de waarnemingen die je daarna doet samen met deze voorspellingen of verschillen ze daar duidelijk van, dan kun je met een gerust hart zeggen of iets je bevalt of niet. Immers de theorie schreef de reacties voor, je bent als individueel, persoonlijk lezer geëxcuseerd. (…) Het resultaat is dat je altijd gelijk hebt, wat je ook zegt en dat de oorspronkelijke ervaring van het werk zelf niet ter sprake komt.'

Daniël Dee, jonge dichter uit Groningen, heeft bijna alle Nederlandse poëziepodia al betreden, vermeldt de achterflap van zijn officiële debuutbundel 3D - Schetsjes van onvermogen. Nu had ik op voorhand wel een - wellicht niet zo vleiende - mening klaar over podiumpoëzie. Namelijk dat zij als zodanig niet bestaat, maar dat er nu eenmaal poëzie lijkt te zijn die op een podium beter 'werkt' dan op papier (voor de goede orde: ik heb Dee nog nooit horen voordragen). Vervolgens zou ik, een beetje vaderlijk, zeggen dat daar vooral niets mis mee is. Wel zou ik trachten het mechaniek, hoe het komt dat sommige poëzie zich uitstekend voor een voordracht laat lenen, maar op papier minder tot haar recht komt, te doorgronden. Waarschijnlijk zou ik iets over het tempo van deze poëzie zeggen en de hoogte van dat tempo. Verder zou ik niet nalaten te vermelden dat 'podiumpoëzie' (tussen aanhalingstekens) veelal leunt op een clou aan het einde van een gedicht. Daarbij zou ik quasi achteloos het woord 'wisselwerking' laten vallen, om aan te geven waarom een dergelijk foefje (zoals ik het noemen zou) op papier minder effect sorteert. 'De toehoorder,' zou ik schrijven, 'neemt het razende tempo van de dichter over. Daardoor kan het bijna niet anders dan dat hij, ergens halverwege de voordracht, een clou begint te vermoeden die het voorgaande een kader verschaft. Want waar zou die woordenbrij anders heen moeten leiden?' En ik zou zelf het antwoord geven: 'Naar het slot, sukkel!'

Aan de hand van een aantal gedichten uit Dee's bundel zou ik een dergelijke theorie moeiteloos kunnen handhaven. Ik zou de betreffende gedichten citeren en zo onschuldig mogelijk 'Kijk maar!' roepen. Want wat weet u er nou van? U hebt de bundel toch niet gelezen! Maar daarmee zou ik Dee tekort doen. Niet omdat ik vind dat het door mij gebezigde en vreemde begrip 'podiumpoëzie' minderwaardig zou zijn aan 'gewone' poëzie, maar om de simpele reden dat poëzie poëzie is, en qua waardering alleen in te delen valt in goed en slecht of iets daartussenin. Wanneer ik bijvoorbeeld zeg dat een voorgedragen tekst mij niet bevalt, dan kan dat kritiek zijn op de voordracht, op de tekst of, in het slechtste geval, op beiden. Maar nooit op het feit dat het een voorgedragen tekst betreft. Genoeg geleuterd nu, terug naar de bundel.

Vrijwel iedere dichter heeft zo zijn sleutelwoorden die hij te pas en te onpas inzet. Voor Kopland zal dat 'oud' zijn (of 'mist', of 'verlangen'), voor De Coninck 'zoals', Wijnberg lijkt weer iets met handen te hebben, Van Deel met bomen. In Dee's geval zijn het - ietwat gechargeerd - 'lamlendigheid', 'kater', 'alcohol', 'nacht' en 'café'. Als een ware poète maudit stort hij zich in het nachtleven 'enkel en alleen om drank te kunnen scoren', keert 'zwabberend' huiswaarts 'niet meer in staat tot heerlijk helder drinken en of denken' om zich de volgende dag met zijn lamlendigheid geconfronteerd te zien, zijn 'bedorven overblijfselen en vele volle asbakken'. En natuurlijk vrouwen, maar ook daarvoor geldt: het is één grote doffe ellende:

de week daarop kwam ik je tegen
in de storm je schrok toen ik je aansprak
en begon verwoed te dansen
een vriendin van je trok aan mijn jas
en vertelde me dat jij met een hardrocker was
prematuur dus of ik me er niet mee wilde bemoeien
ik zei nog snel ga met mij mee maar kreeg geen reactie
jij danste met die lintworm alsof je al met hem in bed lag
voor mijn ogen en in mijn hoofd
en later vroeg híj me nog om een vloeitje

en ik rukte zijn hart uit zijn lijf
even klopte het nog warm in mijn handpalm
voordat ik het fijnkneep op de grond smeet
en vertrapte tot tomatenpuree
fantaseerde ik en gaf hem het vloeitje

(Uit:GEVOELSTMATIG VERNEDERD WEGENS HAANTJESGEDRAGMENTALITEIT)

Of een schuldbelijdenis waarin hij op humoristische wijze afrekent met zijn vroegere fetisjperiode waarin hij bustehouders en damesslips van waslijnen ontvreemdde:

nu besef ik dat ik daar niet verder mee kom
wat er onder zit niet de verpakking is van belang

daarom heb ik besloten mijn verzameling uit te stallen
vrouwen die iets missen mogen
komen kijken of er iets van hen bij is

vrouwen die meer missen
kunnen een afspraak met mij
maken in de persoonlijke sfeer

(Uit: SCHULDBELIJDENIS)


 

Dee hanteert een, wat ik noemen zal, quasi slordige stijl - zo gebruikt hij bijvoorbeeld geen leestekens en hoofdletters - die gedichten oplevert die spontaan lijken te zijn ontstaan. Over het algemeen vind ik dat een goede eigenschap in poëzie. Zoals een gebouw minder gebouw is zolang het nog in de steigers staat, zo vind ik poëzie minder poëzie wanneer het maakwerk er nog doorheen schemert. Toch lijkt het bij Dee alsof sommige gedichten daadwerkelijk spontaan zijn ontstaan. Té spontaan, ben ik geneigd te zeggen. Alsof een collageachtige stijl van haastig bijelkaar geraapte woorden hem zo snel mogelijk door het gedicht heen moet helpen met aan het slot, jawel, een clou in het vooruitzicht. Strofen als:

ik klop het stof uit de bekleding van mijn bureaustoel
ik doe dat piekend jij hebt geen groot stuk van mij
ik heb even geen zin meer in in- en uitademen
er rest mij niet veel anders de schaduw die over is
ben ik niet echt ben ik alleen maar ik zou evengoed
in de buik van een walvis kunnen zitten


(Uit: ONTHEEMD)

of:

de sleur van verandering
houdt stand
eeuwig nomaden eeuwig onderweg op zoek
naar voedsel een onderkomen een schuilplaats euforie
fortuin voorspoed een welzijn bof buitenkans mazzel meevaller
wij blijven zo en ook jij


(Uit: HET IS WAT HET IS)

vind ik duidelijk de mindere stukken van de bundel. Los zand dat niet alleen de indruk wekt in twee minuten tijd tot stand te zijn gekomen, maar die indruk wat mij betreft ook waarmaakt. Het zijn tevens de passages waarin ik het wel even gezien heb met zijn eeuwige zelfspot. Ja, ja, denk ik dan, maak dat de kat wijs. Jij voelt je helemaal niet lamlendig, jij bent doodgewoon zielsgelukkig. En een doodgewoon zielsgelukkig bestaan wens ik iedereen toe, maar hij die vervolgens een beetje ironisch in zijn eigen zogenaamde ellende gaat zitten zwelgen, vind ik hoe dan ook achterbaks. Let wel: dit soort gedachten houd ik er alleen bij zijn mindere gedichten op na.

Hoewel de bundel naar dichtbundelmaatstaven vrij fors is (93 pagina's) en de gedichten naar gedichtenmaatstaven vrij lang en soms erg breedsprakig zijn, leest het geheel verrassend vlot weg. Voor zo'n zestig procent van de gedichten is dat goed nieuws; het laat zich lezen alsof het vanzelf ontstaan is: spits, grappig en prettig nonchalant. Voor de overige veertig procent ligt dat wat minder gunstig; het laat zich weliswaar vlot lezen, maar je leest er dan ook voornamelijk overheen, om redenen die ik hierboven heb proberen aan te geven. Het zal geen toeval zijn dat ik juist deze gedichten, ter ondersteuning, in mijn ongeschreven verhaal over 'podiumpoëzie' zou betrekken.

Een van de sterkste gedichten uit de bundel waaraan, stel ik me zo voor, Dee veel werk heeft gehad om het spontaan te laten klinken, wil ik tot slot graag nog even citeren. Vooral het 'ongekend' uit de slotregel heeft hier een prachtige dubbele betekenis.

EEN VOORSTEL OMDAT JIJ GEEN VASTIGHEID WILDE

jij wenst ongerept te leven elke nacht
een andere minnaar in je bedstee
groot klein dik dun behaard of kaal

ik onderga elke nacht een metamorfose
groot dik klein dik dun behaard of kaal
elke minnaar in je bedstee was ik

jij merkt niets van dit al ik speel toneel
rook teveel goedgeluimd of ben een zwijger
die te hard bijt ik heb altijd wat voor de variatie

om het waarachtig te doen overkomen
geheel voor jouw genoegen maar zeg in ruil
tegen al die minnaars dat ik ongekend was

Kopland, in hetzelfde essay: 'We kunnen duur doen en wetenschappelijk, volstrekt toelaatbare analyses uitvoeren enz., maar als we elkaar moeten uitleggen waarom we iets mooi (of opvallend - DD) vinden, staan we met de mond vol tanden als we daar een sluitende verklaring voor willen geven.' Ik zou graag Rutger Kopland heten.

Danny Degenaar


 
Niets van deze pagina's mag worden overgenomen zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
copyright © de Recensent 2000-2002